Vragen van twee studenten van PABO De Driestar aan Janne IJmker

Interview gehouden voor ‘Een boek, een boek!?’, Onderzoek (Afstudeerscriptie PABO) naar het verschil tussen jeugdboeken en boeken voor volwassenen, door Marianne van Dalen en Linda Rolleman, november 2006.

Dit interview is een onderdeel van ons onderzoek dat als hoofdvraag heeft: ‘Wat maakt een boek tot een jeugdboek?’. In het eerste hoofdstuk hebben we vanuit de theorie een antwoord gegeven op de vraag ‘Wat is het verschil tussen een jeugdboek en een boek voor volwassenen?’ Aan de hand van dit antwoord hebben we een voorlopige criterialijst opgesteld met 15 criteria voor het jeugdboek. Deze criteria hebben we vervolgens in de tweede deelvraag gelegd naast uw boeken. We hebben uw boeken als norm genomen voor een goed jeugdboek en gekeken of de criterialijst goed is. Na het vergelijken van uw boeken met de voorlopige criterialijst bleven er een aantal vragen bij ons liggen over de juistheid van de criteria. Daarom is onze derde deelvraag wat u ziet als de grote verschillen tussen het jeugdboek en het boek voor volwassenen. Onze keuze voor uw werk ligt in het feit dat u zowel voor jeugd als voor volwassenen hebt geschreven, en omdat uw boeken allemaal recent verschenen zijn.

1. Als criterium voor het jeugdboek hebben we vanuit de theorie geconstateerd dat een auteur van het jeugdboek meestal geboren en getogen is in de middellaag van de maatschappij. Is dit in uw geval zo? En kunt u iets vertellen over uw ouders en het gezin waar u uit komt? Bijv. over het beroep van uw ouders, over de samenstelling van het gezin.

Ik werd geboren als vierde kind in een gezin met later vijf kinderen. Ik heb twee broers, een zus en een zusje. Toen ik geboren werd woonden we nog in Tiendeveen, maar toen ik een half jaar was verhuisden we naar Utrecht waar mijn vader leraar bouwkunde werd op een LTS. Mijn moeder was huisvrouw met verschillende vrijwilligerstaken. Ik was zeven toen mijn ouders een huis kochten in Houten en daar bracht ik mijn jeugd door. Wij waren lid van een Hervormde gemeente. Onze vakanties brachten we oorspronkelijk in Drenthe en Zeeland door, later gingen we naar Zwitserland of Duitsland. Mijn ouders hielden ook van lezen, er waren boeken in huis, maar we mochten ook lenen van de schoolbib. Toen ik vier jaar was kregen we een t.v. Ik zat op een gym- en een zwemclub, liep de avondvierdaagse en was lid van een (kinder) koor. Ik speelde veel met vriendinnen.

2. Vanuit de theorie zou het zo zijn de ervaring en de belevingswereld van een auteur bepalend zijn bij het schrijven van literatuur (Helma van Lierop-Debrauwer, 2005). Heeft u elementen uit uw eigen jeugd of uit uw eigen gezin gebruikt in uw boeken? Zo ja, kunt u een voorbeeld noemen?

Ik ben een geboren Drent, mijn boeken gaan (op De toverfluit na, maar die gaat over mijn andere ‘vaderland’) over een historisch verhaal dat zich afspeelt in Drenthe. Voor mij was dat een soort thuiskomen. Het is misschien gek gezegd, ik ben er niet opgegroeid, bracht er wel al mijn vakanties door bij opa’s en oma’s, samen met mijn ouders, broers en zussen, maar bezig zijn met Drenthe voelt goed.
In ‘Mijn vriend Samuel’ heb ik mijn moeder genomen als voorbeeld voor Riekie, haar ouders als de ouders van Riekie, maar ze zijn het niet helemaal. Riekie zegt eens: dit was een lieve dag, dat is er een van mijn dochter toen ze klein was. Of als ze een poesje begraaft dan zingt ze het Wilhelmus, dat deed mijn zoontje ooit.
‘Verdwenen vaders’ staat in dat opzicht verder van me af, omdat ik daar veel van de ervaringen van mensen die in een armenwerkhuis hebben gezeten, en die ik heb geïnterviewd, in heb verwerkt.
‘Achtendertig nachten’ is een boek waarin ik (achteraf) meer van mezelf heb verwerkt dan ik had gedacht. Ik dacht: als ik op iemand lijk, dan is het Janna (in naam dicht bij mij, maar dat is historisch toeval). Gaandeweg zat er in het karakter van Elsjen (dat ik op zich gebaseerd heb op gegevens uit de archieven, summiere gegevens, wat anderen over haar zeggen, de paar dingen die ze zelf zegt in de verslagen van de landschrijver)  meer van mezelf dan ik vermoedde. Dat zit hem vooral in het gegeven van het geven. Door meer te geven dan te ontvangen groeit er iets scheef. In mijn geval niet zo extreem als bij Elsjen, maar toch ben ik door het schrijven van dit boek opnieuw na gaan denken over wie ik nu eigenlijk ben, wat is van mezelf, wat doe ik omdat anderen dat nu eenmaal verwachten. Waar liggen mijn grenzen in wat ik wil doen, wat is geven uit liefde, wat geven omdat het verwacht wordt, enz.
Ik denk dat het niet anders kan dan dat een boek dat een auteur maakt voor een groot deel bestaat uit wat hij/zij zelf heeft verwerkt in het leven, al dan niet aan den lijve ondervonden, er moet iets van verwerking plaats vinden voor het verhaal goed uit de verf kan komen.

3. Wat was voor u de drijfveer om te beginnen met het schrijven van jeugdboeken?

Ooit was er een docent Nederlands op De Driestar die, in een les jeugdliteratuur waarin hij een seculier kinderboek had vergeleken met één uit het zogenaamde ‘christelijke circuit’, verzuchtte: Waar blijven toch de christelijke schrijvers…(de kwaliteit hield veel te wensen over, dat waren wij helemaal met hem eens!)
Dat is blijven haken en toen ik jaren geleden (intussen bleef ik veel jeugdliteratuur lezen, bleef ik op de hoogte van griffels en later Het Hoogste Woord-boeken) in een tijd dat ik iets meer tijd overhield een poging waagde werd de grondslag voor De toverfluit gelegd. In die vorm van toen werd het nog niet uitgegeven, maar ik kreeg al wel complimenten over mijn stijl. Toen ik in 2000 mijn baan opgaf i.v.m. een verhuizing probeerde ik het opnieuw, maar nu met een historisch gegeven in een voor mij bekende omgeving.
Eerst dacht ik dat ik de christelijke ‘boodschap’ er maar niet in zou verwerken, omdat het mijn keuze in de uitgeverswereld hoogstwaarschijnlijk zou verkleinen en daarmee mijn afzetgebied. Toen ik volop bezig was werd het voor mij steeds meer duidelijk dat ik een poging moest ondernemen om iets van het leven met God te verwerken in mijn verhalen. Het werd een uitdaging dat niet ‘opgelegd’ te doen, maar verweven met het verhaal.

4. Wat ziet u als de belangrijkste kenmerken van jeugdboeken?

Een recensent zei eens over mijn jeugdboeken: Janne IJmker opent een andere wereld. Wat zo’n zinnetje voor mij betekent is dat:
-Het verhaal vooral ontdekkend mag zijn. Oh, ging/gaat dat zo? Oh, denkt hij/zij nu dat? Nu begrijp ik…
-Het verhaal mag betekenis hebben voor het kind dat het leest; Hoe zou ik handelen als mij dat overkwam, hoe zou ik dat beleven, gelukkig dat… (Zonder gelijk met een boodschap te koop te lopen, hoor en ook niet zo dat een kind daar superbewust mee bezig moet zijn. Dat kan onderhuids werken, het vormt, het voegt toe.)
-Het verhaal moet zo geschreven zijn dat de lezer denkt dat hij/zij erbij had kunnen zijn, echt, en dat zelfs in een allegorisch verhaal. (dat betekent toch al gauw dat alle ‘onechte’ boevenverhalen niet tot mijn soort behoren) En tot slot iets heel persoonlijks:- Het verhaal mag iets in beweging zetten als het gaat om het leven met God. Oh, kun je daar zo over denken; mag je dit met God bespreken; gaat het leven met God niet altijd van een leien dakje.

5. Wat was voor u de drijfveer om te beginnen met het schrijven van ‘Achtendertig nachten’, het boek voor volwassenen?

De onderwerpen vielen me toe en toen ik met het onderwerp voor ‘Achtendertig nachten’ bij mijn uitgever van jeugdboeken kwam zei ze: ‘Janne, ik zie hier geen brood in voor kinderen.’ Nou, het werd me al gauw duidelijk dat dit onderwerp inderdaad veel te heftig was. Door mijn uitgever Aukelien Wierenga kwam ik al gauw bij Beppie de Rooy terecht (zij zijn vriendinnen) en Beppie werkt bij Mozaïek. Beppie had mijn boeken gelezen, ook een kerstverhaal in de bundel ‘In de greep van de bende’/Callenbach en zij had onmiddellijk geloof voor een volwassenroman. Zelf heb ik de nodige twijfels gehad, maar net als bij mijn kinderboeken: mijn man en kinderen stonden vierkant achter me, waren trouwe meelezers. Het is gegroeid, ik ben gegroeid. Toen ik voor de tweede keer ‘Het Hoogste Woord’ ontving zat ik net in zo’n twijfelperiode. Naast een paar andere dingen waarin ik het gevoel had dat God mijn leven ‘een zetje gaf’, was de prijs voor mij de laatste duw. Ik wilde de uitdaging aangaan.

6. U heeft zowel jeugdboeken als een boek voor volwassenen geschreven. Wat ziet u als de verschillen tussen deze twee en hoe heeft u dit in uw boeken vorm gegeven?

Er zijn in mijn boeken drie lijnen te ontwaren: een historische, een psychologische en een theologische. Bij elk van die lijnen gaat de voorbereiding, de studie en de verdieping vele malen dieper bij het voorbereiden van een volwassen roman. M.n. het doorgronden/uitzetten van de psychologische- en theologische lijn. In een kinderboek stip je daar wel wat van aan en moet het voor je als schrijver wel duidelijk zijn hoe het zit, maar helemaal uitwerken op volwassenniveau, dat gaat niet. Het schrijven van een volwassen roman is voor mij een enorme klus geweest omdat ik op een bepaald niveau wilde schrijven, of liever gezegd: niet onder een bepaald niveau. Toen ik aan een kinderboek begon wilde ik dat ook, maar ik ervoer al snel dat me dat lukte. Ik had nog niet de hete adem van recensenten in mijn nek, terwijl ik wist dat ze op me lagen te wachten toen ik met een volwassen roman bezig was. De verwachtingen waren hoog gespannen, dat schreef veel minder prettig dan toen ik aan mijn kinderboeken werkte. Verder werk ik eigenlijk hetzelfde: veel studie vooraf, grote lijn uitzetten en onderverdeling maken in hoofdstukken (die later nog wel eens op moeten schuiven vanwege onverwachte wendingen) en dan starten met het schrijfproces.
Wat ik in al mijn boeken graag wil is, dat je als lezer heel dicht bij de hoofdpersoon/personen komt. Maakt niet uit of ik voor kinderen schrijf of voor volwassenen. Daarvoor moet ik als schrijver in de huid kruipen van de hoofdpersoon. Je moet ervaren, zien, ruiken, voelen wat je hoofdpersoon ervaart, ziet, ruikt, voelt! En verder: een verhaal blijft een verhaal, of ik nu voor kinderen schrijf of voor volwassenen. En veel mensen houden van verhalen!

7.  Wat ziet u als de functie van illustraties in jeugdboeken?

De voorkant is natuurlijk erg belangrijk, omdat kinderen een boek daardoor wel of niet gaan lezen. Daarom zijn jullie als leerkrachten zo belangrijk, je ziet door de voorkant heen als het goed is en kunt de kinderen een goed verhaal aanraden! Het gaat om het verhaal! Maar die mag zeker in een mooie verpakking! Ik ben heel blij dat Aukelien daar nooit! op bezuinigt, het ziet er professioneel uit. Maar smaken verschillen en volwassenen kiezen niet altijd wat kinderen mooi vinden. Ik schrijf voor een 11+ publiek en dus worden de binnenkantillustraties van minder belang. Illustraties kunnen ook belemmerend werken, omdat de meeste kinderen zelf in staat zijn een beeld te vormen bij het verhaal. Toen ik eens met mijn dochter langs het huisje van Riekie kwam zei ze (teleurgesteld) dat ze zich de omgeving heel anders had voorgesteld! Er is een groep kinderen die erg lang van plaatjes kijken houdt, maar volgens mij leest die groep niet zo gauw een boek van mij. De voorkant van ‘Mijn vriend Samuel’ vind ik absoluut niet geslaagd, helaas. Bij ‘Verdwenen vaders’ en ‘De toverfluit’ kreeg ik meer inspraak.

8. Hieronder een citaat uit het theoretische gedeelte van ons onderzoek:
De meeste auteurs richten zich zowel tot jonge lezers als tot de bemiddelaars, die ze wensen te behagen, omdat ze uiteindelijk alleen van deze laatsten bekendheid en waardering mogen verwachten. De belangen van de jonge lezer en die van de bemiddelaars vallen niet steeds samen. Vandaar dat veel teksten voor jongeren een ambigu karakter vertonen: over de hoofden van zijn jonge lezers heen knipoogt de auteur naar de volwassen meelezers (R. Ghesquiere, 1993).
De ‘bemiddelaars’  in dit citaat zijn de volwassen meelezers van het jeugdboek, bijv. leerkrachten, ouders. Het zijn vaak volwassenen die boeken beoordelen en
bijv. recensies schrijven bij het verschijnen van een jeugdboek.
Bent u het eens met de schrijfster van dit citaat en herkent u dit bij uzelf?

Kijk, ik heb tot nu toe twee keer ‘Het Hoogste Woord’ gewonnen en nog geen een keer de ‘Eigenwijsprijs’. Het lijkt me duidelijk dat tot nu toe volwassenen enthousiaster zijn dan kinderen. Ik zeg: het lijkt, want zou je een onderzoek doen naar de bevindingen van lezers van mijn boeken (en dat is misschien een beperkt aantal, so what, dan schrijf ik voor hen!) dan krijg je misschien een ander verhaal. Ik krijg mails van kinderen waarin ze vertellen dat ze een boekbespreking gaan houden over een boek van mij en waar ze dus zo enthousiast voor zijn dat ze dat gaan doen. Ik vraag altijd even te mailen hoe het gegaan is en ook dan reageren ze nogmaals en vertellen hoe goed het ging, altijd 8-en of 9s. Toen ik ging schrijven wilde ik geen spannend verhaal, maar een verhaal vol spanning. Daar heb ik bewust voor gekozen. Ik wilde een verhaal dat ik zelf mooi zou vinden, waar ik zelf blij mee zou kunnen zijn. Dat als ik het niet zelf geschreven zou hebben ik er toch met tevredenheid naar zou kunnen kijken. Ja, ik was volwassen toen ik mijn boeken schreef! Ik wilde een ‘echt’ verhaal.
Ik denk dat we als volwassenen een opvoedende taak hebben als het gaat om het leesgedrag van kinderen. Ik heb het zelf gezien bij mijn eigen kinderen. Door wat ik voor hen koos om vóór te lezen! ontwikkelden ze smaak. Mijn zoon zei eens toen hij een jaar of elf was: ‘Mam, voordat jij me wees op wat mooie boeken zijn vond ik de Kameleon-serie prachtig. Nu zie ik verschil, ik las laatst weer eens een ‘Kameleon’ en ik vond er niets meer aan.’ Nu mijn kinderen volwassen worden zijn ze dan ook niet gecharmeerd een ‘zevenstuiverroman’. Er zijn kinderen die altijd blijven hangen bij de Dolfi/Wolfi-boeken en het is misschien prima om ze daarmee aan het lezen te krijgen, maar binnen onderwijs blijf je ook niet hangen bij 1+1=, je wilt kinderen ontwikkelen! Dat moet natuurlijk wel op niveau en soms zijn kinderen op de basisschool echt nog niet toe aan een bepaald soort boeken. Gelukkig staan mijn boeken ook op de lijst van het voortgezet onderwijs!

9.  Een ander citaat uit ons eerste hoofdstuk:
In de mate dat boeken helpen klaarheid te scheppen in de eigen complexe gevoelswereld of modellen aanbieden die het groeiproces stimuleren, lenen ze zich tot een vorm van identificatie. Ze functioneren als ‘Lebenshilfe’. In ruime zin betekent dit dat de boeken de lezer helpen zijn weg te vinden in het leven doordat hij zichzelf en de wereld om hem heen beter begrijpt. De identificatie wordt het sterkst bevordert door het gebruik van de vrije indirecte rede (= omschrijvende aanhaling van iemands woorden, als: hij zei, hij dacht dat…). Juist in deze vorm is het dikwijls onduidelijk of de verteller dan wel het personage aan het woord is. Zo kan de auteur makkelijk bepaalde opvattingen aan de lezers doorspelen. Ook brieven en dagboekfragmenten zijn erg in trek, evenals de ik-vorm. Ze versterken het quasi-onthullende karakter waardoor de identificatie sterker aan de lezer wordt opgedrongen. De betrouwbaarheid van de verteller wordt niet in vraag gesteld (R. Ghesquiere, 1993).
In onze voorlopige criterialijst hebben we het als volgt genoemd:

      11. Het boek helpt de jeugdige lezer zijn weg te vinden in het leven doordat hij zichzelf en de wereld om hem heen beter begrijpt. Dit wordt bevorderd
door:

              a) gebruik van de indirecte rede
              b) gebruik van brieven
              c) gebruik van dagboekfragmenten
              d) gebruik van de ik-vorm
Zelf twijfelen we aan de juistheid van deze criteria. In uw boeken konden we deze criteria ook niet terugvinden. We kwamen juist wel veel dialoogzinnen tegen, en juist weinig gebruik van de indirecte rede. De ik-vorm komen we alleen in ‘Mijn vriend Samuel’ tegen, niet in ‘Verdwenen vaders’. En het boek voor volwassenen kenmerkt zich juist door het feit dat het in dagboekvorm/briefvorm geschreven is.

Zelf denken we dan ook dat deze onderdelen niet direct van belang zijn voor identificatie. Meer van belang is volgens ons het feit dat het verhaal op een meeslepende manier is geschreven, zodat kinderen zich helemaal gaan inleven in het verhaal en in de personen van het boek.
U als auteur heeft hier ongetwijfeld ook een mening over, waar we erg benieuwd naar zijn. Wat ziet u als elementen die de identificatie bevorderen?

Ik schreef al dat ik als schrijver heel dicht bij mijn personages wil blijven, de ik-vorm is daarvoor een aangewezen vorm (en ook ‘Verdwenen vaders’, hoewel in hij/zij perspectief, heb ik geschreven als zijnde een ik-vorm. Let maar eens op, overal waar Reindt/hij of Lybiech/zij staat kun je –ik- invullen. Zo blijf ik ook heel dicht bij mijn personages!), hoewel de ik figuur -indirect dus de auteur- ook nog van alles uit kan leggen. In ‘Achtendertig nachten’ doe ik dat ook hier en daar en o.a. jullie docent Walgemoed vindt (recensie RD) dat ik dat iets te veel doe. In dit geval heb ik daar af en toe bewust voor gekozen en het kan ook wel omdat mijn hoofdpersoon na verloop van tijd tot bepaalde overdenkingen komt, maar ik ga dat denk ik in een volgende roman nog wel meer beperken. Want ik wil me die kritiek wel aantrekken en een boodschap over de hoofden van je personages aan de lezer doorgeven, daar is een roman niet de aangewezen vorm voor. En dat is tegelijk weer de uitdaging, want er is natuurlijk heel veel dat ik te vertellen heb! Ik laat dan ook meestal 2/3 van alle materiaal dat ik heb verzameld liggen! En dat zijn vaak hele leuke gegevens, maar ze doen er niet toe voor het verhaal. Zo heb ik bij mijn roman heel veel laten liggen omtrent Drents recht. Ik koos voor het ik-perspectief en dus kon ik niet meer vertellen hoe het leven van de landschrijver er uit zag, of hoe het gebeuren in een rechtszaal er aan toe ging. Dat is interessant voor iemand die van geschiedenis houdt, maar de gemiddelde lezer is het te doen om het verhaal. En daar gaat het om, het verhaal van je hoofdpersoon en of jij als lezer daar in mee kunt komen. Ik had ook uit kunnen leggen dat Elsjen geparentificeerd is geraakt en dat Jan eigenlijk ook aan zijn moeder gebonden werd door een moeder die hem ‘klein’ wilde houden, waardoor hij vast liep in zijn (seksuele) relatie, maar dat kan allemaal niet. En die beperking is misschien de kracht? Jullie moeten het weten, haha!
In ‘Mijn vriend Samuel’ heb ik het hoofdstuk over die NSB jongen drie keer over moeten doen. Het werden zowat een paar pagina’s uit een geschiedenisboekje, zo graag wilde ik iets meer van de achtergrond kwijt aan kinderen, hun beeld dat geijkt is aan wat ‘wij’ vinden van NSB-ers bijstellen omdat ik dat zelf ook ‘ontdekt’ had. Terwijl ik daar dus noodgrepen voor moest zoeken; ik was als een meester die heel veel vertelt. Maar dat is niet natuurlijk en het houdt het verhaal op. Als mijn uitgever mij daarop wijst, dan moet ik wel slikken, maar ik kan beter eerlijk kijken: doet dit ertoe voor het verhaal in de vorm waarin ik het schrijf?
Ik kies in mijn verhalen wel voor een personage waar ik in méé kan leven. Laatst las ik ‘Thirza’ van Arnon Grunberg. De hoofdpersoon is de vader van Thirza en daar kreeg ik niets mee, alleen afkeer. Hoe hij ertoe kwám de dingen te doen die hij deed werden zo zwak omschreven, dat ik ook in dat opzicht geen compassie kreeg. Misschien is dat de bedoeling van de auteur en dan is hij daarin geslaagd. Misschien is het zoals ‘we’ in dit leven zouden aankijken tegen zo’n personage en dan is het knap verwoord. In zekere zin geldt dat bijvoorbeeld ook voor ‘Knielen op een bed violen’ van Jan Siebelink. Hoewel velen ermee weglopen doet dat boek me in zekere zin niets, ik voel me niet meegenomen door een van de hoofdpersonen, ik vind ze alleen maar allemaal zielig.
Ik merk aan de mailtjes die ik ontvang dat mensen Elsjen gaan begrijpen en gaan nadenken over hun eigen leven: Hoe ben ik zelf gevormd door het leven, waar ben ik mezelf kwijtgeraakt?.
Dus ik hoop dat jullie eigen conclusie degene is die zo veel mogelijk voor mijn boeken geldt, maar ik ontken niet dat ik vaak geneigd! ben die andere vier punten te ‘misbruiken’. Ik kies mijn hoofdpersoon zo dat ik door haar/zijn leven iets aan de lezer kan duidelijk maken. Hoe iemands karakter wordt gevormd door de omstandigheden, door opvoeding, door wat er voorvalt in het leven. Ik weet inmiddels dat niet iedereen iets met mijn boeken heeft. Ook goed.
Verder kan ik iets laten zien van het leven met/zonder God als die persoon met God leeft of Hem zoekt of Hem afwijst. Al deze dingen hebben te maken met hoe ik tegen het leven aankijk en dus indirect geef ik door het verhaal wel iets door.

We constateerden dat in uw jeugdboeken veel meer dialoogzinnen worden gebruikt dan in ‘Achtendertig nachten’. Is dit voor u een bewuste keuze? Ziet u het gebruik van dialoogzinnen eventueel ook als een criterium voor het jeugdboek?

Het schrijven van een jeugdboek een heel andere opgaaf dan het werken aan een volwassen roman. Bij het jeugdboek is het toch steeds bedenken wat het niveau is van de kinderen waar ik voor schrijf. Wat kunnen ze hebben, hoe is hun manier van omgaan met elkaar, als ik een te lange beschrijving doe zakt de aandacht weg, enz. Dialogen verlevendigen het verhaal, maar het moet wel functioneel zijn. De dialoog om de dialoog met ellenlange gesprekken die er niet echt toe doen zijn natuurlijk net zo uit de boze als te veel beschrijvingen. Met het schrijven van de volwassen roman zijn er minder beperkingen, toch ben ik daar niet superbewust mee omgegaan, behalve dan dat ik me er wel van bewust was geen andere beperking te hebben dan het verhaal vol spanning te houden. De volwassene kan veel meer hebben als het gaat om de omschrijving van b.v. een huis en dan kan komen wat daar gebeurt. Voor een kind gaat het niet om dat huis maar om wat daar plaats vindt. In ‘Achtendertig nachten’ heb ik ook veel stukken overdenking van Elsjen. Vanzelfsprekend komen daar weinig dialogen in voor.

10. Wat ons opviel tijdens het lezen van ‘Achtendertig nachten’ is de open manier van schrijven over seksualiteit. In een interview met het Reformatorisch Dagblad (19 september 2006) zei u er zelf het volgende van: Ik vond het een uitdaging om dat te doen, maar vooral ook noodzakelijk voor het verhaal. Mijn man las de passage over Elsjens huwelijksnacht en zei: ‘Ik word er naar van, waarom doe je dat nou?’ Maar dat was juist mijn bedoeling. Hoe vaak gaan de dingen de eerste keer al niet mis? Niemand durft daarover te praten, maar ik wilde het graag aan de orde stellen. In de bedstee had Elsjen voor haar man gewonnen kunnen worden, maar zijn gedrag versterkte haar negatieve gevoelens alleen maar. Het is nodig dat je dat als lezer begrijpt (Enny de Bruijn, 2006). In de jeugdboeken komt de seksualiteit helemaal niet voor. We denken dat het niet voorkomen van seksualiteit een criterium kan zijn voor het jeugdboek. Hoe ziet u dit?

Ik denk er ietsje anders over, maar ben er ook nog niet over uitgedacht, hoor. Hier wat gedachten: Welk kind van 11, 12 jaar heeft tegenwoordig nog geen beeld van zaken rondom seksualiteit? En dan kan het zijn dat het een negatief gevormd beeld is, afhankelijk hoe open men er thuis over is. En onder negatief beeld versta ik eigenlijk ook het idee dat veel films geven: dat alles rondom seksualiteit ‘heerlijk’ is, om nooit genoeg van te krijgen. Veel kinderen zien dit. Waarom gevoelens over seksualiteit wegstoppen als kinderen van een bepaalde leeftijd er allang mee bezig zijn? In ‘Mijn vriend Samuel’ had ik er eerst een passage inzitten (maar toen had ik zelf de leeftijd 13+ in gedachten, ik heb het later bewerkt voor iets jongere kinderen), op het moment dat Riekie erover hoort dat haar moeder zwanger is. Riekie heeft geen idee hoe dat kan, totdat ze denkt aan de stier en de koe. Mijn uitgever vond dat ik er een negatief beeld over schiep. Toch gebeurde/ gebeurt het vaak dat kinderen ‘op de straat’ te horen krijgen hoe kinderen verwekt worden. Dat is jammer. De eerste verantwoording voor seksuele opvoeding ligt bij de ouders! Maar ook een boek kan een beeld scheppen, daar behulpzaam in zijn, alleen is het weer de uitdaging daar in de loop van het boek iets goeds van te maken. Naast de scènes van Elsjen en Jan, heb ik ook beschreven hoe Elsjen haar eigen lichaam ontdekt of welke gevoelens Leffert bij haar op weet te wekken. Dat zijn mooie momenten. Ze zijn functioneel voor het verloop van het verhaal, vind ik.
Ik heb eens in een opdracht voor de schrijversdag een scène beschreven waarin een meisje gluurt naar een ouder logeetje en ziet hoe zij al borsten heeft gekregen. Vervolgens voelt ze ook aan haar eigen borsten en constateert dat ze nog zo plat is als een dubbeltje, maar dat het toch niet lang meer kan duren voor ze ook rondingen gaat krijgen. Dat geeft een zekere opwinding (ook bij de lezers van dit fragment hoorde ik later) Dat is het leven. Dat mag beschreven worden, wel lettend op wat je doelgroep daarin aankan. In deze trant kan het wat mij betreft best… Ik ben eigenlijk wel benieuwd naar jullie reactie.

Succes met de afronding van jullie opdracht!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *