Ver-antwoord-elijkheid

  

Ik herlas ik ‘De stad van het geluk’, een boek van de in 2016 overleden Elie Wiesel.

“Je begrijpt dat ik er de behoefte aan had te begrijpen? De anderen -de Ander- te begrijpen, hen die ons naar het onbekende zagen vertrekken; hen die ons onbewogen gadesloegen terwijl wij voorwerpen –levend hout- en genummerde slachtoffers werden?”

En ik besefte hoe dit boek, dat ik jaren geleden las, misschien heeft meegewerkt aan het bezig gaan met het schuldgevoel dat ik verwerkte in ‘Wij hadden het leven lief’. Ik schrijf daar: “Om die werkelijkheid heb ik, als onmachtig toeschouwer, moeten janken. Om die werkelijkheid voel ik me mét mijn moeder schuldig. Alsof de tekortkoming via ons bloed is doorgegeven. Als ik kon, zou ik samen met mijn moeder de geschiedenis herschrijven met een goede afloop.”

‘Als ik tijdens mijn leven maar één boek had mogen schrijven, dan was het dit geweest,’ zegt Elie Wiesel over ‘Nacht’. Al zijn andere werk is volgens hem niet te verstaan zonder dit eerste boek.
Mijn gedachten gaan, als ik dit lees, onmiddellijk hun gang. Ik vraag me af, al is het met schroom vanwege het onderwerp van ‘Nacht’, of er voor mij ook zo’n boek is. En daar moet ik ontkennend op antwoorden, net als op de vraag die scholieren vaak stellen: ‘Hebt u een lievelingsboek onder de boeken die u schreef?’
Wiesel stelt zich in zijn voorwoord vervolgens (samengevat) de vragen: Waarom schreef ik het boek? Om niet gek te worden? Of om het wezen van de waanzin, de onmetelijke, angstaanjagende waanzin te begrijpen die in de geschiedenis en in het bewustzijn van de mensheid losbarstte? Om een erfenis van woorden en herinneringen na te laten waardoor de geschiedenis zich niet zou herhalen? Of om vast te leggen wat ik als adolescent had moeten doorstaan? Overleefde ik de kampen om deze tekst te schrijven? Is dat een wonder? Als de hemel voor mij een wonder zou laten gebeuren of daar überhaupt toe in staat zou zijn, waarom dan niet ook voor anderen?

“Hoe dan ook, ik overleefde,” schrijft Wiesel, “en moest daar een betekenis aan geven. Wilde ik die betekenis beschermen door mijn ervaringen, waar elke zin volkomen aan ontbrak, op te schrijven?”
Achteraf moet hij toegeven dat hij niet meer weet wat hij met zijn woorden wilde bereiken. Hij weet alleen dat zonder deze getuigenis zijn leven als schrijver, of puur zijn leven, niet zou zijn geworden wat het is: dat van een getuige die gelooft dat hij de morele plicht heeft te voorkomen dat de misdaden uit het menselijk geheugen verdwijnen, waardoor de vijand zijn laatste zege zou behalen.
Hij heeft het verder over het niet kunnen vinden van woorden, het opnieuw moeten interpreteren van begrippen als honger, dorst, angst, transport, vuur, schoorsteen. En dan komt de vraag: Kunnen anderen het begrijpen? Alleen wie Auschwitz heeft meegemaakt weet wat het was.

Het is onnavolgbaar verschrikkelijk wat Wiesel heeft meegemaakt en er lijkt, naast alle grote en kleine verschrikkingen die plaatsvonden voor en na WOII, niets erger dan de moedwillige vernietiging en van zes miljoen Joden en de verwonding van een veelvoud daarvan (van hen die toen leefden en van hen die nog geboren moesten worden), maar wat Wiesel schrijft óver schrijven heeft iets universeels. Tenminste: ik herken. Ook dat zeg ik met schroom. Voor mij is er ook bij elk boek ook de waarom-schrijf-ik-dit-verhaal-vraag. Waarom geef ik stem aan de ter dood veroordeelde vrouw Elsjen, die haar man vergiftigde met rattekruit? Waarom wil ik ruimte geven aan de woede in haar kind Roelf, dat als driejarig jongetje moederziel-alleen achterbleef? Waarom vertel ik het verhaal van het boerenmeisje dat vriendschap sloot met de Joodse Samuel, die gevangen zat in een werkkamp vooraf aan Westerbork en die opbeurende brieven schreef aan zijn zwangere vrouw, en dat terwijl hij langzaam maar zeker besef kreeg van de ondergang die zijn volk tegemoet ging?
Ik kan maar een ding zeggen: omdat het verhaal zich aandient, zich opdringt, verteld wil worden; door mij, vanuit wie ik ben. Door al mijn boeken leer je ook mij, als het verhaal je aangrijpt, een beetje verstaan. Ik schreef ze allen met hart en ziel en inderdaad vaak zoekend naar woorden. Ik leer tijdens het schrijven mezelf beter kennen. Geregeld ben ik verbaasd over het gegeven dat deze verhalen door mij geschreven werden/moesten worden en welke heftige, verstopte gevoelens daarbij soms boven kwamen, zonder dat ik compleet de levens leefde die mijn personages leefden.

Elie Wiesel besluit zijn voorwoord met te zeggen dat hij geen “antwoord op Auschwitz” heeft, maar wel weet dat “in antwoord een ver-antwoord-elijkheid ligt”. Dat is wat ik doe: verantwoording nemen voor het verhaal dat me tegemoet komt. Ook voor het boek ‘Wij hadden het leven lief’ dat zich afspeelt aan de voorzijde van Westerbork en Auschwitz en waarin de moeder van de schrijver háár verantwoordelijkheid neemt als ze zegt:
‘Ik schaam me misschien plaatsvervangend; we schoten tekort… Wij hadden allen het leven zo lief. Maar zíj gingen als schapen. En wíj stelden ons leven niet voor hen. En met dat laatste zit ik zo ontzettend in mijn maag… De Jood. Mijn moeder noemde hem altijd de Jood. Maar hij had een naam! Zij hadden allemaal een naam… En dit is eigenlijk wat ik wil: elke week een vieze zakdoek krijgen en een witte teruggeven aan een lévende Samuel die bij ons in de schuilkelder onder het hooivak verstopt zit. Elke week weer, totdat de oorlog is afgelopen en hij zijn Sarah en het kindje in de armen sluit. Maar zo is het niet… zo is het niet…’