Quinta, door Tjitske Lemstra

Op haar veertigste verscheen haar eerste kinderboek waarmee ze meteen in de prijzen viel. In rap tempo volgden er nog een aantal titels. Ze maakte het zichzelf niet gemakkelijk en deed langer over de research voor haar eerste roman dan over het schrijven ervan. Janne IJmker is een ‘graver’. Waarom duurde het zo lang voordat ze ging schrijven en wat zijn haar ambities?

Kader: Janne IJmker (1962) wint met haar debuut ‘Mijn vriend Samuel’ (2002) ‘Het Hoogste Woord’, een prijs voor het beste christelijk kinderboek. In 2004 2005sleept ze dezelfde prijs in de wacht met haar ‘Verdwenen Vaders’, dat net als haar eerste boek historisch is en in Drente speelt. Daarna volgt ‘De Toverfluit’ (2005), ‘een verhaal van lang geleden. Het is van eeuwen terug, maar ook van eeuwen vooruit en van de eeuwen daartussen. Het is een verhaal van álle tijden en álle plaatsen…’
Haar eerste roman voor volwassenen ‘Achtendertig jaren’ verschijnt in 2006 en wordt onderscheiden met de Publieksprijs voor het christelijke boek in 2007.
Janne IJmker is  getrouwd en moeder van vier kinderen, waarvan de jongste nog thuis woont.

Ergens in Drente, aan het eind van een bospad, ver van het lawaai van de grote stad, staat de boerderij waar ze woont. Janne IJmker is na omzwervingen terug op de oude stee, de geboortegrond van haar voorgeslacht. Haar vader is er geboren en heeft er gewoond, net als zíjn vader en zijn grootvader. Het uitzicht vanuit de boerderij op de akkers en de bosrand mag in al die jaren weinig veranderd zijn, het interieur is met de tijd meegegaan. Aan de wand een fotogalerij: kinderen, ouders én boerderijen waar Janne en haar man Pieter van den Berg hebben gewoond. En, prominent, een uitvergrote reproductie van het schilderij dat als omslag heeft gediend voor ‘Achtendertig nachten’, het boek waarmee Janne IJmker ‘doorbrak’. Elsjen Roelofs, de hoofdpersoon van deze historische roman, wordt ervan verdacht haar man te hebben vergiftigd en komt terecht in het gevang in Assen. In afwachting van haar berechting – zij is zwanger en bevalt van een meisje – vraagt ze om pen en papier om het verhaal van haar leven op te tekenen voor haar kinderen. Al schrijvend kijkt Elsjen terug op haar leven en probeert ze zicht te krijgen op hoe het zover heeft kunnen komen. Heeft zij als enige schuld aan de dood van haar man of zijn er buiten haar anderen die mede verantwoordelijk zijn voor wat er uiteindelijk is gebeurd? En waar is God in dit alles?

Janne: ‘Mijn verhalen staan niet los van mijn eigen ontwikkeling. Ik ben pas laat met schrijven begonnen. Ik had het geloof ik ook niet eerder gekund. Ja, hoe komt dat. Waarom zijn de dingen gegaan zoals ze gingen. De vragen die Elsjen zich stelt zijn in bepaald opzicht (de indruk moet niet gewekt worden dat dit een compleet autobiografisch werk is geworden, want dat is het niet, ik herken alleen) míjn vragen. Ik ben jong getrouwd. Pieter wilde graag trouwen. Ik had een baan in het onderwijs en na een jaar heb ik die baan weer moeten opzeggen om met Pieter te trouwen en te verhuizen. Ik ben een mens die zich voor de volle honderd procent geeft en het past dus absoluut niet bij me om na zo korte tijd een toezegging weer ongedaan te maken. Ik wil de verantwoordelijkheid niet afschuiven – natuurlijk wilde ik het zelf ook, bij Pieter zijn – maar onderhuids heeft  het lang gezeurd dat ik mijn carrière niet had kunnen uitbouwen. Al heel snel kwamen we in de kleine kinderen – de eerste drie kwamen in vier jaar tijd- maar het voelde soms alsof ík ze alleen had. Vanuit een zekere naïviteit hebben we domweg patronen overgenomen, die we vanuit de traditie van ons voorgeslacht kenden. Een vrouw schikt zich; zij voegt zich naar de man. In bepaalde opzichten heb ik in het begin van ons trouwen altijd maar gegeven en gegeven. Natuurlijk geeft dat frictie, maar, ook alweer vanuit de traditie, bedekte ik mijn gevoelens eerder dan dat ik ze bespreekbaar maakte en op zoek ging naar de oorzaak ervan.

Patronen
Op een gegeven moment kwam Pieter met de mededeling dat hij theologie wilde gaan studeren. Dat betekende dat ik elke zaterdag alleen was met de kinderen. Nu zou ik denk ik zeggen: Schrijf dat maar op je buik!, maar toen dacht ik: wie ben ík om als vrouw dwars te gaan liggen als God hem roept? Ik heb een innerlijk gevecht moeten leveren om achter Pieter te gaan staan. Maar toen ik daarvoor de ruimte bij mezelf voelde, heb ik dat als Gods leiding gezien. Terugkijkend heb ik zo mijn vragen. Wás het Gods wil of hebben wijzelf bedacht dat het Gods wil was? Nu, achteraf, zegt Pieter: ‘Ik had dat nooit zo mogen doen. Ik had je nooit zo alleen mogen laten met vier kleine kinderen.’

Het is niet eerlijk! Ik weet nog precies wanneer ik me dat voor het eerst realiseerde. Ik zat volop in het vrijwilligerswerk, met dien verstande voor zover mijn taken thuis dat toelieten. Op een avond zat ik compleet bekaf in mijn autootje op weg naar het een of ander. Ik had na het eten eerst nog de kinderen naar bed gebracht, afgewassen, het speelgoed opgeruimd en toen haast je rep je op pad. Toen dacht ik: dit is te gek! Pieter komt thuis en kan zo aanschuiven en leest daarna in alle rust nog even zijn krantje voordat hij naar een vergadering gaat. Hiermee wek ik de indruk dat Pieter een achterover lezende man is die zijn pantoffels krijgt aangereikt. Zo was het niet, het ging vooral om de verdeling. Pieter had ook de RPF en was ouderling en daarnaast zeer actief in het verbouwen van onze boerderij. Het ging mij om mijn onvrede over onze strikte taakverdeling daarin, waarin er een afdeling vrouw en een afdeling man bestond. En waarin ik als vrouw in de nodige klussen als verven en behangen meedeed, maar Pieter niet zag dat mijn talenten leden onder mijn taak ‘als vrouw’ in ons huishouden.  Kinderen hoorden ook bij de afdeling vrouw en dus was het moeilijk om meer ruimte te vragen om mijn talenten op ander gebied (want ik was ook best een geschikte moeder) in alle rust te kunnen volbrengen. Het was vooral míjn moeite met onze ‘eerlijke’, ‘eeuwenlange’ taakverdeling  en mijn moeite om me daarin echt te laten kennen i.p.v. te ‘murmureren’ diep in mezelf of door onhebbelijk gedrag. Ik besloot om het aan te kaarten als ik thuiskwam. Eerlijk gezegd was dat een enorme overwinning voor me, want ik had absoluut geen idee hoe Pieter zou reageren. Dus zei ik het heel voorzichtig. Pieters reactie was geweldig: ‘Ja, nou je het zegt, je hebt helemaal gelijk! Het klopt niet. Van geen kant.’

‘De studie op zich ging hem goed af, maar het curatorium, dat als taak had ‘zijn roeping te toetsen’ wees Pieter af. Op zich verbaasde me dat niet zo, want Pieter had lang haar en zat niet strak in het pak, laat staan dat hij een stropdas zou dragen. Maar ik dacht: ‘Al hebben de heren van het curatorium een ‘nee’ in hun hart, de Here God kan, als Hij dat wil, dat zo in een ‘ja’ veranderen. Maar Pieter werd tot drie keer toe (voor ons was het echt drie keer is scheepsrecht, vaker gaan we niet) afgewezen zonder dat er iemand zich verder om hem bekommerde of maar de moeite nam hem te coachen. Ze lieten hem gewoon zwemmen! Wij hadden ons leven helemaal op die studie ingericht – waren er zelfs voor naar de stad verhuisd – en liepen tegen een muur op. Dan komen de lastige vragen. Waarom gaan de dingen zoals ze gaan? En waar liggen de verantwoordelijkheden? Alleen bij Pieter, of ook bij mij. En hoe zit dat met het curatorium. En: waar is God in dit geheel?’

‘Door vast te lopen heb ik mezelf leren kennen. Langzamerhand gaan mijn ogen open voor bepaalde patronen.die zich herhalen en ben ik me gaan afvragen hoe het komt dat ik steeds weer in dezelfde dingen vastloop. De omstandigheden en de mensen zijn telkens anders, maar in wezen gaat het steeds om dezelfde grondpatronen. Om een voorbeeld te geven: wij besloten weer te verhuizen, nadat Pieter voor de vierde derde keer was afgewezen. Het was een verstandig besluit, Pieter wilde ruimte om zich heen, de kinderen wilden het en ik verlangde er ook naar. Maar waarom hield  ik dan onvrede, zonder te weten waar dat vandaan kwam? Nu herken ik het. Die verhuizing betekende dat ik mijn baan moest opzeggen. Maar ik was niet zo ‘wakker’ om te roepen  ‘Ja, hallo, dat betekent wel dat ik mijn baan zal moeten opzeggen! Hoe gaan we dat regelen?’

‘Natuurlijk heeft het te maken met mijn karakter, maar ook met vroeger, met de grondpatronen die in mijn jeugd zijn gelegd. Van jongs af aan heb ik geleerd me te voegen. Ik heb niet geleerd naar me zelf te luisteren en dat serieus te nemen. Ik had bijvoorbeeld eigenlijk liever iets stoers gedaan, bij de zedenpolitie of zo, maar koos voor het onderwijs omdat het mijn moeder zo’n mooi beroep leek! Ik wil het mensen naar de zin maken; lief zijn loont! Maar ik moet leren mijn grenzen aan te geven.’ ‘Maar goed, daardoor ben ik – eigenlijk per ongeluk – uiteindelijk wel gaan schrijven.  Ik had mijn baan weer opgegeven en vroeg me af: wat nu? In die tijd merkte mijn moeder eens terloops op: ‘Weet je dat bij de boerderij waar ik vroeger woonde in de oorlog een werkkamp was?’ Nee, dat wist ik niet, maar het intrigeerde me en samen met mijn moeder ben ik op zoek gegaan naar mensen, die zich dat nog herinnerden. Ik heb altijd van verhalen gehouden en kon me helemaal inleven in de hoofdpersoon van een verhaal. Ik herinner me nog hoe ik als kind naar school rende als we geschiedenis hadden. Onze meester kon geweldig vertellen en deed dat vaak aan de hand van een van de geschiedenisplaten van Isings. Ik probeerde om als een van de eersten op school te zijn, want dan mocht je op die plaat aanwijzen wie jij wilde zijn in het verhaal. En nu kwam er dus ‘toevalligerwijs’ een verhaal uit de oorlog naar boven, waarin mijn moeder figureerde. Zij is Riekie uit ‘Mijn vriend Samuel’, een meisje dat dolgraag naar school wil, maar vaak door haar moeder thuis gehouden wordt. In die tijd hadden mijn kinderen soms – vaak – commentaar omdat ze naar school moesten. Onze kinderen hebben geen idee hoe het vroeger soms is toegegaan, dacht ik toen. En daarom ben ik toen gaan schrijven. Elke keer als ik een hoofdstuk af had, luidde ik ’s avonds de bel en dan ging iedereen bij de koffie ervoor zitten om naar ‘het verhaal van oma’ te luisteren. Dat waren heel leuke momenten voor ons als gezin. En dat ik als klap op de vuurpijl met dat boek genomineerd werd voor ‘Het Hoogste Woord’ heeft me heel blij gemaakt, bevestigd.’

‘Ik heb altijd van verhalen gehouden, maar nooit gedacht ze zelf te gaan schrijven. Op de P.A. heb ik leren luisteren. Onze leraar literatuurgeschiedenis las ons voor uit de met een griffel bekroonde kinderboeken. En dan liet hij ons luisteren naar de zogenoemde christelijke kinderboeken. Je zat soms met kromme tenen, zo armzalig staken die vaak af bij de ‘griffels’. Een keer verzuchtte hij luidkeels: ‘Waar blíjven de christelijke schrijvers?’ Ja, dacht ik, wanneer staat er iemand op die een werkelijk goed christelijk kinderboek schrijft? Maar ik heb het nooit voor mezelf als een uitdaging opgevat. Tot voor kort.’

‘Het idee voor ‘De toverfluit’ ontstond tijdens een saaie preek. Maar er was die eerste jaren geen uitgever die er zich aan waagde het uit te geven. ‘De tijd zou er niet rijp voor zijn’, liet een van de uitgevers me weten. Ík had mijn antwoord gauw klaar: ‘Dat zegt dan iets van jullie én van de christenheid.’

‘Renate Dorrestein schrijft ergens dat de verhalen er al zijn, maar dat die verhalen op zoek zijn naar iemand die het kan gaan schrijven en die het kan uithouden het te schrijven. Zo ervaar ik het ook. De verhalen dienen zich aan. De vraag is of ik het kan en wil uithouden om ze op te schrijven. Ik leg de lat hoog voor mezelf. Wat ik schrijf moet beter zijn dan het gemiddelde christelijke boek. Waarom ik dat doe weet ik niet zo precies. Wil ik mezelf bewijzen of vind ik dat de eer van God niet met minder toe kan? En dan is er nog iets anders. Het lijkt wel een doem, maar ik kan niet schrijven voordat ik echt alles weet. Zo heb ik ruim een jaar lang research gedaan voordat ik kon beginnen te schrijven aan ‘Achtendertig nachten’. Op een gegeven moment voel ik dan dat ik kan gaan schrijven en toen heb ik het boek in in driekwart jaar geschreven. Maar vraag niet hoe. Het was verschrikkelijk. Driekwart jaar zat Elsjen in mijn hoofd. Ik was de gevangene van dat boek. Op het laatst was het soms alsof ik stille tijd hield voor Elsjen. ‘Dat had Elsjen moet lezen!’ dacht ik als ik door iets getroffen werd in de Bijbel.’

‘Ideeën voor een nieuw boek heb ik wel. Ik zou bijvoorbeeld willen schrijven over hoe het de zoon van Elsjen is vergaan. Hoe heeft hij verder kunnen leven nadat zijn vader is vermoord en zijn moeder, nadat ze is geradbraakt, aan de galg  is gestorven? En hoe is het gegaan tussen die twee families in dat dorp? Of over de Joodse marskramerij, om maar iets te noemen. Maar eerst moet ik klaarheid krijgen over de vraag of het mág. Mag ik driekwart van een jaar opeisen voor mezelf en me laten opslorpen door een boek? Mag ik me de gevangene van een boek voelen? Mág dat? Mag ik dat eisen van mijn gezin? Met deze vragen moet ik in het reine komen, voordat ik van mijn gezin kan vragen mij de ruimte te geven. Pas daarna zal ik tegen mezelf kunnen zeggen: ‘Gá je gang, Janne!’

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *