Inspiratie

Uit: De stad van het geluk, van Elie Wiesel:
‘Mensen verwerpen niet de dood, maar de onsterfelijkheid. Zelfs God aanvaarden ze voor zover hij sterfelijk is: ze doden hem zo vaak om daarmee het bewijs te leveren. Ze houden slechts van een god die in staat is te lijden, bloed te verliezen, in staat is te sterven. Ze begrijpen slechts wat begrensd, vergankelijk, onderworpen aan de wetten van de tijd is. Alles moet met hun beeld, met hun beperktheid overeenstemmen. Ik houd slechts van de mens indien hij datgene waarin hij opgesloten zit openbreekt, indien hij zich tegen de onwankelbare hinderpalen van het verleden, het heden en de toekomst verzet, indien hij de kracht en de moed bezit het universum, de dood zijn wil op te leggen.’
*
‘Je lichaam stoort je omdat je het als een vijand behandelt, en dat is het niet. Het is evenzeer een geschenk van God als de ziel. God openbaart of verbergt zich net zo goed in het een als het ander. Alleen, in het lichaam toont hij zich openlijk: waarom sla je het dan toch? Waar de ziel verbindingsschakel is tussen jou en God, daar is je lichaam hem tussen jou en de rest van je medemensen. Waarom zou je het dan vernietigen? Het lichaam doden, de mogelijkheid wegnemen een verbinding tot stand te brengen tussen een menselijk wezen en een ander is even erg als het leven doden. God is god omdat hij verbindingsschakel is: tussen de dingen en de mensen, tussen het hart en de ziel, tussen goed en kwaad, tussen verleden en toekomst. Op God lijken wil zeggen: onze eigen verbindingsschakel vervolmaken, sterker, geloofwaardiger, bruikbaarder, stralender maken. Wie niet voor de mens leeft- voor de mens van nu, voor degene die naast je loopt en die je kunt zien, aanraken, liefhebben, haten-  die schept zich een onjuist beeld van God.’
*
‘Allen vulden hun glas en dronken het woedend in één teug leeg. Dat is de wet van sterke en onbuigzame trotse mannen: pijn, die verdrinken ze in wijn of bloed. Niet in woorden.’
*
‘Ik zou willen godslasteren, maar het lukt me niet. Ik maak me kwaad op Hem, zwaai met mijn vuist, schuimbek van woede, maar ook dat is een manier om Hem te zeggen dat Hij daar is, dat Hij bestaat, dat Hij in niets op zichzelf lijkt, dat zelfs ontkenning een geschenk aan Zijn grootheid is. Ongewild verandert de schreeuw in een gebed.’
*
‘De weg is net zo belangrijk als de bestemming. Wie aan God denkt en daarbij de mens vergeet, loopt het risico zich in het doel te vergissen: God is misschien de buurman van hiernaast.’
*
‘Soms wandelden ze zwijgend naast elkaar. Michael ontdekte dan de intensiteit van de stilte, haar diepte, haar muziek. Je loopt en de stappen die min of meer tegelijk van het trottoir opklinken zeggen: nee, je bent niet alleen, maar met z’n tweeën, met z’n tweeën, met z’n tweeën. Michael begreep dat stilte niet een afwezigheid maar een aanwezigheid is. Aanwezigheid van God wanneer je alleen tegenover de wereld staat. God, ik hoor mijn ademhaling en ik weet dat die niet verloren gaat, dat iets haar hoort; ik voel dat ik met iets een eenheid vorm dat misschien de tijd is en waarvan het bestaan bewezen wordt door het kloppen van mijn hart.’
*
‘Je zou het lijden willen uitschakelen door het naar zijn hoogtepunt te voeren: naar de waanzin. Zeggen ‘Ik lijd, dus ik ben’ is een vijand van de mensen worden. Je moet zeggen ‘Ik lijd, dus jij bent’. Camus heeft ergens gezegd dat je, om tegen de wereld van het ongeluk te protesteren, geluk moet scheppen. Dat is de pijl die aangeeft welke weg je moet volgen: die voert naar de ander en niet naar het absurde.’
*
‘Probeer anderen te helpen. Veel anderen. Natuurlijk gaat het niet om het aantal. Maar anderzijds, hoe kun je de een helpen en de ander niet? Wat er eigenlijk zou moeten gebeuren is dat we het zwijgend naast elkaar wandelen allemaal ontdekken. Ja, ik weet het: het is onmogelijk en tegenstrijdig. Maar laat ieder van ons dan tenminste geen gelegenheid om te ‘lopen’ afwijzen. Door dat af te wijzen wijs je jezelf af, wijs je de ander in onszelf, in iemand anders af.’


***
***
***


Uit: Tot in onze diepste diepten, van Simone Pacot:

‘Is het evangelie tot in de diepste diepten van ons wezen doorgedrongen, in alles wat tot ons mens zijn behoort? Tot onze diepste drijfveren, onze verborgen en schrijnende problemen, onze drang naar dood, vernietiging, zelfvernietiging?’

‘Al kunnen we niets aan ons verleden veranderen, we kunnen wel de consequenties veranderen die ons verleden hier en nu voor ons heeft.’

‘Onze geschiedenis kan ons aanleiding geven om ons af te sluiten in angst en schaamte, maar ook een springplank zijn en drijvende kracht worden voor een nieuw leven dat uitgaat van wie we feitelijk zijn, dat wil zeggen, alles wat we hebben meegemaakt.’

‘Meestal bidden we om van de symptomen van onze euvels genezen te worden, terwijl we de eigenlijke problemen onaangeroerd laten. We willen wel de genezing, maar liever niet de bekering.’

‘Wanneer we werkelijk inzicht krijgen in het Woord van God en in de grote wetten van het leven, wanneer we zorg dragen voor de drie elementen van ons mens-zijn – ons lichaam, onze ziel of psyche (gevoelens, aandoeningen en emoties) en onze geest (ons diepe hart) – en aan elk weer zijn plaats geven, waarbij we ze door de Geest tot nieuw leven laten wekken en ze door Christus laten bewonen, wanneer we tenslotte onze hele levensgeschiedenis openen voor het licht van God, dan zullen we van onze innerlijke verbrokkeling verlost worden en zal ons leven weer zin en betekenis krijgen. Deze weg ligt binnen ieders bereik.’

‘Als het zaad van Gods Woord alleen maar door ons intellect en verstand wordt opgenomen, als de Geest en het Woord niet doordringen tot de kern van ons binnenste, van ons vlees en onze grote innerlijke roerselen, dan zal niets in ons echt worden aangeraakt en veranderd. Het is in werkelijkheid een weg van incarnatie, menswording, van het afdalen van de Geest in onze menselijkheid. Het is de weg die Jezus Christus is gegaan’