‘Ik geloof niet in ‘het Christelijke boek’

Interview met Janne IJmker door Arie Westerhout.

Eén van de sprekers op de CLO-Literatuurdag is Janne IJmker (1962).
Haar schrijverscarrière begon ze met het schrijven in het kinderblad ZeGGuS. Voordat IJmker zich aan een roman voor volwassenen waagde, schreef ze enkele kinderboeken. Mijn vriend Samuel (2002) en Verdwenen vaders (2004) werden beiden bekroond met Het Hoogste Woord. In 2005 verscheen haar derde boek: De toverfluit. In 2006 verscheen haar eerste- en totnogtoe enige- boek voor volwassenen. Achtendertig nachten werd lovend ontvangen. In 2007 werd de roman op het Letterfestival in Doorn bekroond met de Publieksprijs voor het Christelijke boek. Naar aanleiding van dit boek stelden we Janne IJmker enkele vragen.

Door welke schrijvers laat u zich inspireren in uw auteurschap?

Als kind las ik het boek ‘Willem Wycherts’ met een zaklampje onder mijn dekens omdat ik niet kon stoppen en ik hield enorm van de geschiedenisverhalen die mijn meester van de vierde klas vertelde. Zie daar: de basis voor het schrijven van historische fictie. Ik vertelde overigens de verhalen van mijn meester door aan mijn vader.
Toen ik les kreeg in jeugdliteratuur en door een leraar attent werd gemaakt op een griffelboek met de titel ‘Hidden Doe’, kocht ik dat van mijn kleine budget. Ik genoot van de manier waarop het schrijversduo Hadley Irwin  het leven van een Indianenmeisje en haar grootmoeder heel dichtbij konden brengen. De boeken van b.v. Cyntia Voigt en Els Pelgrom waren voor mij voorbeeldig als het ging om jeugd-literatuur. Sfeer, stijl en karaktertekening klopten mijns inziens. Verder las ik o.a.: Ida Vos, Paul Biegel, Jan Terlouw, Tonke Dragt en ook wel C.S. Lewis (vanwege zijn allegorische vertellingen. Vroeger las mijn moeder al voor uit een kinderversie van ‘De christenreis’). Een boek als ‘Koorts’ van Laurie Halse Anderson (historische fictie) vond ik een paar jaar geleden ook prachtig.
Als ik denk aan volwassen-literatuur komt onmiddellijk de naam van Chaim Potok bij me boven. Wat ik van hem leerde was, dat een verhaal niet spannend hoeft te zijn vanwege grote gebeurtenissen. Ik ervoer in een boek als ‘Mijn naam is Asher Lev’ dat een verhaal spannend wordt door een goede beschrijving van de spanning die het leven oplevert.
Toen ik met ‘mijn vriend Samuel’ begon dacht ik: wat willen kinderen? Spannende boeken. Dus: de joodse man moet ontsnappen uit het werkkamp en natuurlijk onderduiken bij mijn hoofdpersoon. Maar ik las in mijn vooronderzoek dat de realiteit meestal heel anders was. Het voelde oneerlijk om kinderen de tragiek van het leven van de joodse mannen in de werkkampen, die vooraf gingen aan ‘Westerbork’, te onthouden. Het voelde oneigenlijk om van mijn hoofdpersoon een held te maken i.p.v. een meisje dat het leven als moeilijk ervoer. Ik dacht aan ‘de les’ van Potok;  pas toen kon het verhaal van Samuel en Riekie zijn gang gaan.
In mijn middelbare schooltijd was ik bijzonder geboeid door de boeken van Clare Lennart (uitgebreide natuurbeschrijvingen, droomsfeer), Carry van Bruggen (joods leven tot in detail)  en Ward Ruyslinck (bizarre levensomstandigheden).
De laatste jaren geniet ik van een aantal boeken van Amos Os, Connie Palmen, Renate Dorrestein, Gerbrand Bakker, Louis Krüger. Dit is maar een greep, hoewel ik door zelf te schrijven minder toekom aan het genieten van de creativiteit van andermans werk.  Ik betrap me vaak op vakgericht lezen, hoewel een goed boek me mee weet te nemen en me los maakt van mijn schrijvengerichte denken. Heel recent las ik twee boeken van Jonathan Safran Foer. Zijn originaliteit in woord en vormgeving spreekt me aan.

Toch is het niet zo dat alleen schrijvers van literatuur me inspireren. De laatste jaren heb ik me verdiept in het contextuele denken. Dat wat geschreven werd over mensen als Nagy en Buber zet me aan het denken. Voor mijn eerste jeugdboek, maar ook voor de roman waarmee ik nu bezig ben bestudeer ik af en toe het joodse gedachtegoed. Ik zou veel meer bezig willen zijn met dit soort inspiratiebronnen. Archieven doorpluizen en boeken lezen over het leven in vroeger tijd geeft inspiratie. En natuurlijk als laatst maar niet als minst noem ik de Bijbel, waarover ik met mijn man (theoloog) en soms ook met onze kinderen eindeloos in gesprek kan zijn en die ik door mijn ontwikkeling steeds met nieuwe ogen kan lezen en onderdeel van mijn leven wil maken.

In verschillende recensies werd ‘Achtendertig nachten’ vergeleken met ‘Knielen op een bed violen’ van Jan Siebelink. Herkent u de vergelijking in thematiek tussen uw boek en het boek van Siebelink?

Ik denk dat men dan vooral doelt op de beklemmende sfeer die de verhalen oproepen en de onontkoombaarheid aan ‘het lot’ waarnaar de hoofdpersonen gedreven lijken te worden.
De lezer wil in het verhaal stappen en zeggen: ‘Stop! Ga niet verder op deze weg.’
Het geloof speelt een (belangrijke) rol in beide boeken en God, gemaakt naar het beeld van de mens, krijgt een dreigende plaats toebedeeld. En de mens, die o.a. dat beeld van God vorm geeft, verstrengelt zich met zijn/haar denken zelfs na de dood met de levens van de hoofdpersonen en bepaalt daar mee hun handelen.

Het geloof speelt een belangrijke rol in uw boek. Hoofdpersoon Elsjen laat zich in de gevangenis inspireren door het Bijbelboek Job. Is schrijven voor u ook een manier om iets over te brengen van uw geloof?

Ik geloof niet in ‘het christelijke boek’, zoals een meubelmaker geen ‘christelijke kast’ aflevert. Ik geloof wel in het ontwikkelen van vakmanschap en in het gekregen hebben van talenten. En ik geloof in de God van de Bijbel, als Schepper. Op mijn tocht door het leven is er een zoeken naar Hem, een ontdekken van mezelf in Zijn schepping. Een heel groot deel van de mensheid is daar mee bezig. Dus daarvan wil ik wel delen als het verhaal er om vraagt. Ik vind het een uitdaging mijn geloof niet als noodzakelijk sausje over het verhaal te gieten, maar als iets dat uit het leven van de personages gegrepen is. Dat kan iets moois opleveren, maar ook veel negatiefs, want dat is de realiteit van het christelijk geloof van alle tijden. Blijkbaar valt het niet mee christen te zíjn, Jezus na te volgen. Ik gebruik de verwerking van het geloof dan ook niet als evangelisatiemiddel, want dan kan ik beter ander werk gaan doen… iets met een zeepkistje;-). Ik schrijf ook niet speciaal voor de ‘christelijke markt’. Ik hoop dat de ‘geloofspassages’ aanzetten tot nadenken. Ik zal niet schromen om me te verantwoorden over mijn beperkte kennen van God als daar n.a.v. mijn boeken over gevraagd wordt, desnoods op een zeepkistje.

Voor ‘Achtendertig nachten’ verscheen schreef u verschillende kinderboeken. Wat was voor u het grootste verschil tussen het schrijven van een boek voor volwassenen en een boek voor kinderen?

Daar kwam ik pas achter toen ik na ‘Achtendertig nachten’ een jeugdboek wilde schrijven over de zoon van Elsjen (hoofdpersoon uit voorgenoemd boek). Ik had er allerlei ideeën over, maar kwam steeds tot de conclusie dat het boek te ingewikkeld zou worden voor de doelgroep (11+). Ik moest na verloop van tijd zoveel materiaal laten liggen dat ik dat jammer begon te vinden. Ik besprak het met mijn uitgever van de jeugdboeken. Zij liet me vrij er een volwassen-roman van te maken. Het voelde toch een beetje als verraad. Ik ben begonnen met een passie voor het schrijven van goede jeugdboeken. Dat was ik voor dit boek opnieuw van plan en dat moest ik loslaten.
Wat ook een groot verschil maakt is de ‘houdbaarheid’. Ik vind het teleurstellend hoe snel een kinderboek ‘over datum’ is. Ik had iets meer verwacht van de duurzaamheid van een goed boek. Van ‘Achtendertig nachten’ worden nog steeds redelijke aantallen verkocht. Van mijn beide jeugdboeken die een prijs kregen nog maar enkele tientallen per jaar.
Tegelijk valt daar een financieel plaatje mee samen. Het ‘loont’ beter een volwassen-roman te schrijven, hoewel ook daar tot nu toe tijdsinvestering en opbrengst niet in verhouding staan. Hoe dan ook: Leve de volwassenen! Hoewel…die kopen toch ook meestal (goede) jeugdboeken voor hun kinderen?

Uw debuutroman werd bijzonder lovend ontvangen. Betekent dit dat we binnenkort een nieuw boek van u kunnen verwachten?

Tja, pijnlijke vraag. Kort geleden werd de voorlopige definitieve versie van mijn tweede roman afgewezen. Hoewel het drie jaar duurde voor dit boek ter wereld kwam was het toch nog een vroeggeboorte. Het heeft nog even (geen idee hoe lang dit even duurt) tijd nodig dit boek goed vorm te geven. Deels heeft dit te maken met de ontvangst van mijn eerste roman. Je zou zeggen dat de overwegend lovende kritiek me veel zelfvertrouwen zou geven. Maar ik maakte me vooral druk om de minder lovende woorden. Ik leg de lat hoog en dat moet ook, maar het moet me niet verlammen. Op dit moment ben ik in dit proces op zoek naar mezelf en mijn kunnen. Ik ben daarvoor soms in gesprek met mijn uitgever, mijn man en andere dierbaren. Maar vooral dien ik bezig te zijn met mijn innerlijke dialoog en op zoek te gaan naar de gekregen schat die klaar ligt in mezelf voor het schrijven van dit boek. (En mocht ik die toch niet vinden, dan kan ik altijd nog op dat zeepkistje gaan staan…;-)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *