Wij hadden het leven lief

Het boek ‘Wij hadden het leven lief’! Wil je een voorproefje: http://www.brevieruitgeverij.nl/…/wij-hadden-het-leven-lief… en klik op ‘Lees hier een fragment’.

DSC_2719

***

Voor een kort tv-verslag en een prachtig audiofragment, opgenomen bij de gedenksteen voormalig werkkamp Kremboong, klik op: http://www.rtvdrenthe.nl/…/nieuwe-roman-vertelt-verhaal-van…
Met dank! aan leerlingen (met ontroerende gedichten) en bevlogen personeel OBS Tiendeveen voor deze gedenkwaardige presentatiedag waarop ik boeken mocht overhandigen aan Anneke Boom-Turksma, Lion Tokkie, Lummie Stoevelaar-IJmker, Anna van Dam-IJmker, Rieke IJmker-van Goor en Joke Kroesen.

IMG_20150428_115933

***

Bijzonder mooi uur met Lody van de Kamp, Bart de Kater, mijn lief en onze oudste dochter en een handvol heel betrokken publiek in de prachtige ‘Amsterdamse Boekhandel’ van Debbie en Denis Stirler.

PIC_0001

Kanaleneilandjes

Presentatie van Kanaleneilandjes

Presentatie van Kanaleneilandjes

Op 13 september gepresenteerd: Kanaleneilandje; een bundel met opeenvolgende verhalen over een plattelandsgezin dat in de jaren ’60 is verhuisd naar de wijk Kanaleneiland in Utrecht. De gebeurtenissen worden bezien door de ogen van een kind, maar bevatten ook een vleugje volwassenheid van de schrijver. Het verhaal tekent een mooi, ontroerend beeld van het leven van dit kind, aangezet met een milde vorm van humor. Net als Josje zijn haar ouders, broers, zus en zusje bezig hun plaats in de stadse wereld in te nemen. Josje ziet het, denkt erover en geeft invulling aan dat leven op haar eigen manier. In haar fascinatie voor taal zoekt ze voortdurend naar woorden die recht doen aan haar belevenissen en emoties.

Fragment:
Ik wou voor het broertje met de blauwe lippen dat hij niet hoefde te gaan. Als hij door zijn vader en moeder achtergelaten wordt en met een witte zuster mee moet, is hij vast net zo’n huilend eilandje als ik, toen mijn oog kapot was. Ik wil niet dat hij opgerold onder de deken moet liggen schreien totdat zijn tranen op zijn en hij nog heel vaak een driedubbele hikzucht moet maken. Dat is vast niet goed voor zijn hartje. Ik wou dat je kon zeggen in het ooglijdersgasthuis: hier is het kapotte oog, maak het nou maar beter, ik kom het ophalen als het weer goed kan zien. En bij het kinderziekenhuis zou je moeten kunnen zeggen: hier is het hartje van het broertje, kijk het maar goed na, want het rent voor geen meter de trappen op en het kan niet eens sjezen op de driewieler. Als het kan boompje klimmen en rovertje spelen, dan komen we het weer halen. Zorg er goed voor, want het broertje moet niet doodgaan. Het moet rode lippen krijgen en een echte jongen worden. Dat zou verdikkeme moeten kunnen. Als ik aan het broertje denk, kan ik weer huilen en dan wil ik dus een woord gebruiken dat ik onder geen beding – zegt mijn moeder – mag zeggen, want het is een vloek. Ik mag ook geen hartstikke zeggen. Denk maar aan de blauwe lippen van het broertje, zegt ze, dan weet je wel waarom.
Voor meer informatie zie http://www.facebook.com/janneijmker

BOkanaleneiland(def).indd

Kanaleneilandjes
Janne IJmker
ISNB: 978-90-822-2930-1
176 p. € 14,50 inclusief verzendkosten

Voor bestelling en/of meer info zie www.hanzop.nl.

Schrijverskeuken

Opnieuw organiseer ik een Schrijverskeuken. Dit keer samen met Christine Stam*.
Voor een kleine geschiedenis zie **

Workshop Storytelling in 12 stappen met scenariste/storycoach Mieke Bouma.

op zaterdagmiddag 15 maart 2014.

Tijdens deze middag van de Schrijverskeuken gaan we op reis met de held. De workshop is gebaseerd op het boek  ‘Storytelling in 12 stappen’, waarin ‘De Reis van de Held’ voor schrijvers uiteen wordt gezet.

De Reis van de Held is de mythische verhaalstructuur, die de ruggengraat en vertelstructuur van vele verhalen en films vormt en daarom een onuitputtelijke inspiratiebron is. De 12 stappen helpen niet alleen om de creatieve stroom op gang te houden maar ook om structuur aan te brengen in het materiaal.

Ook behandelt Mieke Bouma het verhaalmodel aan de hand van voorbeelden en filmfragmenten. De 12 storybeats die aan de orde komen, bieden richtlijnen voor het construeren van sterke plots en het creëren van universele en levensechte karakters. Eenmaal kennisgemaakt met deze oermotieven, zie je ze niet alleen terug in diverse verhalen maar herken je ze vermoedelijk ook in je eigen levensverhaal.

Behalve een inleiding is er een interactief gedeelte met  oefeningen en praktische opdrachten die zicht geven op het oplossen van schrijfproblemen en de verbeelding prikkelen.

De terugkerende vraag is: hoe creëer je spanning en diepgang in verhalen?

Aangeraden wordt het boek Storytelling in 12 stappen te lezen.

Mieke Bouma is docent, trainer, scenarist, storycoach en dramaturg. Ze heeft een achtergrond in de theater-, film- en televisiewereld. Mieke vertelt verhalen, schrijft verhalen en scenario’s en helpt anderen bij het schrijven, vertellen en vertellen van verhalen. Mieke is auteur van de boeken ‘Storytelling in 12 stappen’ en ‘De Held in je eigen verhaal’.

Deze keuken organiseren we, in goed overleg, los van Uitgeverij Mozaïek. Graag staan we open voor een breed publiek. Welkom zijn o.a. schrijvers, schrijvers in spe, mensen die dromen van schrijven, redacteuren, tekstschrijvers, illustratoren, lezers die een verhaal beter willen kunnen doorgronden.

Waar: Huis van Vrede, Van Kleffenslaan 1 in Utrecht
Hoe laat: van 13.00-17.00 uur
Opdracht: Lees Storytelling in 12 stappen van Mieke Bouma
Programma:  13.00 uur inloop met koffie/thee/bonbon
13.30 – 16.30 uur workshop Mieke met een half uurtje koffie/thee/cake tussendoor
16.30 – 17.00/17.30 uur fris/wijntje/borrelnootje/ontmoeting.

Kosten: 25 euro pp (na aanmelding en ter bevestiging daarvan over te maken op rek.nr. 303366273, t.n.v. Janne IJmker en o.v.v. Schrijverskeuken en je naam).

Graag horen we binnenkort van je of je mee wilt doen.
Opgave via: janne.ijmker@solcon.nl
Zegt het voort!! M.a.w.: stuur dit bericht gerust door aan belangstellenden!

Met een grote Hanzegroet,

Christine en Janne.

*Christine Stam (Kampen) studeerde Kunstgeschiedenis en aan de Kunstacademie, maar haar hart gaat uit naar schrijven. Ze schrijft regelmatig culturele artikelen voor het RD en elke zes weken een column in diezelfde krant. In 2009 won Christine een historische verhalenwedstrijd. Nu werkt ze aan een roman.

**Over de korte geschiedenis van de Schrijverskeuken het volgende:

Sinds de verbouw van onze huis liep ik rond met het volgende idee: schrijvers in mijn keuken.
Ik stelde me voor dat ik een aantal schrijvers zou uitnodigen om bij mij te komen om onder het genot van koffie/thee/lekkers ‘geleerd’ te worden door een deskundig iemand op het gebied van literatuur. Om te groeien in het vak. Ik besprak dit idee met Beppie de Rooy van uitgeverij Mozaïek en zij was enthousiast. De uitgeverij ondersteunde dit idee. Daarnaast verwachtte ik van elke belangstellende een bijdrage om een goede spreker te kunnen bekostigen.
Ik mailde de romanauteurs uit het bestand van Mozaïek het volgende:

De praktijk wijst uit dat, al weet je (soms) hoe het schrijven niet moet, het nog niet meevalt het goed/anders/beter te doen. En ja, wat is goed? En wat valt daarover nog te leren? Natuurlijk doe ik aan mijn eigen vorming. Mijn verlangen is te groeien in het vak waar ik zomaar ingerold ben. Ik wil graag leren en andere schrijvers mogen als ze zin hebben aansluiten bij dit idee. Het gaat me niet om een bespreking van ons eigen werk. Daarvoor kunnen we de recensies lezen;). Ik stel me eerder voor dat een deskundige ons een opdracht geeft zoals het lezen van een boek of één of andere paper, waarna hij/zij ons ‘leert’ en wij dus kunnen meedenken/praten/vragen stellen. In ieder geval mag het tot doel hebben dat wij groeien in het proces van worden aan ons schrijvers vak.

Op een vrijdagmiddag in november 2012 organiseerde ik de eerste Schrijverskeuken. Natuurlijk was een gezellige keukensetting (we trokken de kamer erbij aan) ook leuk voor de onderlinge ontmoeting van die teruggetrokken-achter-hun-computer-zittende-schrijvers.

Ik had Dr. Enny de Bruijn (journalist, recensent en Revius-specialist) bereid gevonden om een middagprogramma te vullen. Het thema was: De schrijver en zijn/haar gemeenschap. Enny besprak de verhouding tussen de schrijver en de gemeenschap waarin hij/zij zich bevindt. Ze zette dat centraal, omdat daar juist voor schrijvers soms spanningen liggen. Ze schreef daarover:
Aan de ene kant wil je vanuit je visie op het leven en de mensen en de moraal heel graag aardig zijn voor iedereen en positief bijdragen aan de onderlinge gemeenschap, aan de andere kant wil je vanuit je schrijversziel graag afstand nemen van die gemeenschap en kritisch naar iedereen en alles kijken.. Dat thema speelt in veel boeken een rol, en veel schrijvers leven dat dilemma ook uit (neem Houellebecq, of Grunberg, of Bilderdijk, of Multatuli, noem maar op) De roman die Enny ons als ‘huiswerkopdracht’ gaf is van Ian McEwan, Boetekleed. We lazen dat boek ter voorbereiding op die middag.

De tweede Schrijverskeuken vond april 2013 plaats in Utrecht m.m.v. Mirjam van der Vegt. Teunis Bunt (neerlandicus en recensent) was onze gastspreker. We lazen ter voorbereiding Naar de overkant van de nacht van Jan van Mersbergen en Dorst van Esther Gerritsen.

Teunis: Stijl, vakmanschap en boodschap, klinkt als een rare combinatie. Eigenlijk gaat het in alle gevallen over techniek. Daar is wel wat over te zeggen. Wanneer is een dialoog goed, of een beschrijving? Maar ook de techniek om een boodschap niet bovenop de handeling te leggen. In bijna alle gevallen gaat het om schrappen.

De derde Schrijverskeuken op 1 november was met Jan Brokken. Uit zijn mail:

Omdat de meeste schrijvers van jullie basisgroep fictie schrijven, zal ik het vooral over fictie hebben. Ik zou jullie daarvoor liefst een roman laten lezen die niet gelukt is – in mijn ogen – en die niettemin hemelhoog is geprezen: Orhan Pamuk (Nobelprijswinnaar 2006): ‘Het museum van de onschuld’.

In mijn lezingen over schrijven praat ik over de techniek, niet over de inhoud. Voor een in mijn ogen geslaagde roman maakt het niet uit of die christelijk van inhoud is, atheistisch, islamitisch, godslasterlijk of diep gelovig. Het gaat me om ‘het hoe’, niet om ‘het wat’ of ‘het waarom’.

Een verslag van deze middag vind je op mijn face-bookpagina,  www.facebook.com/janneijmker op datum 4 november.

En dan nu al weer de vierde Keuken met Mieke Bouma. Zoals gezegd: Deze keuken organiseren we, in goed overleg, los van Uitgeverij Mozaïek. Graag staan we open voor een breed publiek. Welkom zijn o.a. schrijvers, schrijvers in spe, mensen die dromen van schrijven, redacteuren, tekstschrijvers, illustratoren, lezers die een verhaal beter willen kunnen doorgronden.

 

Crimineel

Ooit woonde ik, in de jaren ’60, op het Kanaleneiland te Utrecht. Een prestigieuze nieuwbouwwijk met huurders zoals mijn ouders, een soort van buitenlanders (ze kwamen uit Drenthe) die hun geluk in Utrecht kwamen beproeven. Ze spaarden, net als andere flatbewoners, flink voor een eigen huis. Dat kon, want ze hadden goede banen. Toen dat huis in de buurt niet te koop bleek weken ze uit naar elders. Na hun vertrek betrokken andere buitenlanders de flats.

Een derde van de leden van drie grote beruchte criminele jeugdgroepen heeft zich sinds de eeuwwisseling ontwikkeld tot zware crimineel, lees ik in de krant. Eén van die groepen is de Jeugdbende Kanaalbruggroep van Kanaleneiland. Die bende bestaat uit 50-80 leden, inclusief meelopers. Eén van de zwaardere criminelen wordt geïnterviewd. Yassin wil alleen met zijn voornaam in de krant. Hij hoopt op te klimmen tot drugsbaas.
Ik lees dat hij de HAVO heeft afgerond en ook begon aan een opleiding aan een hogeschool. Maar dat bracht hem niets. Hij kon geen stageplek bemachtigen en kreeg geen werk. Sinds zijn vijftiende zit hij geregeld vast. Als hij los kwam gaven zijn ouders ‘niet thuis’; ze moesten hem niet en dachten dat hij vervloekt was. De vrienden waarmee hij ‘relde’ heeft hij altijd kunnen vertrouwen, zíj lieten hem nooit vallen. 

Toen ik mijn boek Afscheid van een engel schreef, stond ik geregeld aan de kant van ‘de Yassins’. Ik snapte dat Roelf in het jaar 1779 zijn heil zocht bij een groep vagebonden. Ik zag hoe zij werden buitengesloten. Ik begreep het dat zij vervolgens namen wat niet van hen was. En het ergste: ik leefde me soms zo in dat ik het zelfs kon volgen dat zij anderen letsel toebrachten.
Natuurlijk wilde ik er, net als mijn hoofdpersoon, ook weer afstand van nemen, maar het zette me aan het denken over waar een ‘ontheemd’ (had ik een tijd als werktitel) mens misschien toe in staat is. En met ontheemd bedoel ik dan zoiets als: door je wording niet thuis zijn bij jezelf en anderen. Ik ken daar iets van.

Ooit woonde ik dus op het Kanaleneiland te Utrecht. Ik schreef daarover vorig jaar in een non-stop-oefening een aantaal ‘stukkies’. Deels autobiografisch, deels verzonnen. Ik weet nog niet wat ik daarmee ga doen. Mijn broer maakte er al wel gebruik van tijdens een rondwandeling over Kanaleneiland, dit voorjaar. Wat me daar trouwens opviel was dat mensen, inclusief kinderen, ons groetten. Bovendien werden we, op ‘dapper’ verzoek van mijn zussen, zeer gastvrij binnen gelaten in de flat waar we indertijd woonden.

Eén van mij ‘stukkies’ gaat over mijn angst voor de grote boze wereld:

“Van tijd tot tijd waarschuwt mijn moeder mij voor kinderlokkers. Kinderlokkers zijn mannen die, terwijl jij alleen over de stoep loopt hun auto vlak bij je stoppen en uitstappen. Ze lopen naar je toe, doen allervriendelijkst en zeggen dat ze in de auto iets lekkers hebben liggen. Als je even meekomt en heel even bij mij in de auto komt zitten dan krijg je het. Zo lokken ze je. Je stapt in en de man haalt een grote zak snoep tevoorschijn. En dan geeft hij je die zak snoep, maar ondertussen start hij de auto en rijdt met je weg.
Wat er daarna gebeurt is me niet duidelijk, maar dat hij geen goede dingen met me van plan is hoor ik door hoe mijn moeder spreekt. Ik moet ook niet met een man meegaan als hij een pop belooft, al is het nog zo’n mooie babypop waar ik al zo lang om zeur; ik moet nooit, maar dan ook nooit meegaan. Al lijken die mannen nog zo aardig, ze zijn het niet. Dat vind ik wel vreemd. Het zou dus iemand kunnen zijn als ome Johan of de vader van Bertine. Ik vind het moeilijk te begrijpen dat het kan: aardig doen, maar het niet zijn. Het is misschien net als met heksen in sprookjes. Dat lijken zulke lieve oude vrouwtjes die een appel geven of die zeggen knibbelknabbelknuisjekommaarinmijnhuisje, maar toch willen ze dat je dood gaat als je een hap hebt genomen of ze sluiten je op om je vet te mesten en daarna op te eten.
Dus ook al belooft die man je zo’n babypop waar je al zo lang om zeurt, je mag niet met hem meegaan. Beloofd? Ja beloofd (…)”

Op een keer ga ik langs de deuren voor een actie van de school. Met een mooie plaat waar allerlei geldstukken op staan afgebeeld, die kunnen worden doorgeprikt en vervolgens in klinkende munt gegeven, haal ik geld op voor de hongerlijdende kinderen in Biafra.

“(…) Als ik naar een volgende portiek gaat is het buiten al een beetje donker aan het worden. Ik moet misschien naar huis. Maar ik wil die rijksdaalder aan de naald rijgen. Ik besluit nog één trappenhuis te doen. Helemaal bovenin wordt de deur open gedaan door een man met lang haar en een band om zijn hoofd. Zoho, zegt hij langzaam, jij bent goed bezig. Hij kijkt naar de plaat. En heb je alleen nog die grote  die nog doorgeprikt moet worden? Zal ik eens kijken of ik er nog één heb? Ik knik verheugd en de man glimlacht. Kom maar even binnen, zegt hij. Ik stap gelijk achter de aardige man aan. Als ik binnen ben doet hij de deur dicht. Hij loopt door de gang die lijkt op de onze, maar de muren zijn paars geverfd en het ruikt er naar rook met nog een geur die ik niet thuis kan brengen. Vanuit de kamer roept hij: Kom maar verder hoor, liefje. Ik blijf staan. Kom maar, ik heb de rijksdaalder al en wil je ook een snoepje? Opeens gaat mijn hart op de loop, maar mijn benen worden stijf. Dit is hem. Dit is de kinderlokker (…)”

Ach, dit is allemaal goed afgelopen, hoor (en oh ja, de helft is verzonnen;). Geen zorgen.
Waar ik me wel zorgen over maak (en wat volgt is niet verzonnen) is dat één van mijn geliefden onlangs in diezelfde stad onder bedreiging is beroofd van tas en mobiel en nu (nog) gebukt gaat onder angst en niet helemaal te beteugelen emoties. In mij komt alles in verzet. Je blijft met je poten van mijn dochter af! Als ik je tegenkom dan… En tegelijk gebeurt het gekke, bijna verwante aan medelijden: wie doet nou zoiets? Wie wil dit de ander aandoen? Hoever ben je dan van ‘thuis’?

Yassin heeft geen last van spijt. Anders red je het niet in deze business; maar ik vind het wel erg als mensen (vooral oude) niet meer van hun angst of pijn afkomen, zegt hij.
Hij heeft nu overigens zijn jongens die voor hem ‘lopen’ en ‘klusjes’ doen. Misschien heeft één van hen de tas en het mobiel van onze dochter aan Yassin afgegeven.
Yassin heeft een vriendin en twee dochtertjes van twee en vier jaar oud. Ik gun hem dat geluk, die liefde van harte, maar ik zou Yassin wat willen vragen: Wat als zo’n trauma op den duur één van jouw dochtertjes, die je nu zo ‘lekker kan verwennen’, zal overkomen?

 

 

Schrijfveer

Ik zie op internet een artikel over de Schrijfveer oftewel de dagelijkse aanzet tot schrijven, de drijfveer om iets op papier te zetten. De tips die gegeven worden zijn een bewerking van Judy Reeves Guidelines for Writing Practice.

Schrijfveer, lees ik, is een prachtig woord vol associaties met ganzenveren, walmende blakers en knoestige schrijvers met nachtmutsen. Een ganzenveer die heb ik wel (nou ja, het is er één van een zwaan; een kniesoor die daarop let), maar ik gebruik hem alleen in een dramastuk over de 18e eeuwse Elsjen (mijn hoofdpersoon uit Achtendertig nachten) in het gevang. Zelfs de ballpoint die ik, toen mijn schrijversaspiraties nog heel vers waren, ter hand nam is verre verleden tijd. Hoe dan ook, het is de bedoeling dat ik per dag in ieder geval 15 minuten schrijf. Nou, dat kan geen kwaad in een tijd dat er weinig ‘uit mijn pen’ komt. Want wie schrijft die blijft en ik weet inmiddels dat als ik dat niet doe ik zo in de tijd der vergetelheid (dat zal wel de tijd van de met ganzenveren beschreven vellen papier zijn) geraak. Mijn twee jeugdboeken, beiden bekroond, worden al niet meer herdrukt. Ze zijn aan de kant geduwd door ‘een enkel goed boek en een hoop pulp’, zoals mijn docent jeugdliteratuur zou zeggen.

Goed, dan die 15 minutenopdrachten maar. Ik moet als schrijver bezig zijn met schríjven. Elke dag. Zoals ‘een musicus zijn toonladders riedelt en een schilder voorstudies tekent’. Ik moet kijken of het lukt om ‘stijlen te beproeven, personage te schetsen en beelden te verwoorden’. Eens zien of ik me met het dagelijks schrijven ‘bevestig als schrijver’, of ik ‘leer wat mijn belangrijkste onderwerpen zijn’ en of het lukt om ‘de uithoeken van mijn creativiteit te onderzoeken, me op gevaarlijke terreinen te wagen die mijn hart sneller doen kloppen, de waarheid te schrijven en het beste schrijfwerk te leveren’.

Er is zelfs een schrijfkalander die ik kan downloaden. Voor elke dag een onderwerp. Makkelijker kunnen ze het voor mij, de schrijver, niet maken. Ik kijk naar het onderwerp van die dag. ‘Emoties zijn ook feiten’.

‘In schrijfoefeningen stromen woorden vanuit je onderbewuste op papier. Hier verschijnt jouw authentieke stem. Vertrouw die stem. Zie de schrijfoefening als stemoefening’ lees ik nog bij de schrijfveerinfo. En daar ga ik dan.

Vijftien minuten lang 1. blijf ik schrijven, 2. vertrouw ik mijn pen (alias toetsende vingers), 3. beoordeel ik het geschrevene niet, 4. laat ik mijn werk zijn eigen vorm vinden, 5. denk ik niet aan regels, 6. verwacht ik niets van tevoren, 7. kus ik mijn kikkers (hmmm…), 8. spreek ik de waarheid, en 9. schrijf ik specifieke details.
Bij deze dan mijn 15 minuten:

Emoties zijn ook feiten
Ik zie dat er, achter zijn grote brillenglazen, tranen uit zijn ogen komen. Heel langzaam zoeken ze hun weg. Blijkbaar doet dit lied iets. De vrouw naast hem zit  met haar hoofd naar beneden geknakt. Ik zie alleen haar blond geverfde kruin; niet de uitdrukking van haar gezicht. Ze houdt haar pen in haar mond en beweegt die heen en weer. De derde man die de zang en de liedtekst van het meisje dat staat te zingen moet beoordelen kijkt gebiologeerd  naar haar. Ik zie zijn ogen glanzen van bewondering, maar hij huilt niet. Wat doet dit meisje met haar gitaar. Ze kijkt haar beoordelaars vol aan, ze zoekt contact, zingt niet in zichzelf gekeerd. Ik mis je, ik gis je, ik smoor je, bevroor je, je verlangt me, ontbangt me… Het is duidelijk dat haar lied iets teweeg brengt. Ik wil even in het hoofd kruipen van de man met de grote bril om te weten te komen aan wie hij denkt. Aan een verloren gegane liefde, aan zijn moeder, zijn vader? Ik wil weten waarom de vrouw naast hem zich zo angstvallig probeert goed te houden. Van wie mag zij niet huilen?

En ik? Waarom huil ik niet? Waarom analyseer ik onmiddellijk de tekst? Kan dat: je gerust me? Je siddert en beeft me? Wat is ontbangen? Een prachtig nieuw geboren woord of een handige rijm. Je stem die als een engel verzacht? Kan je stem als een engel verzachten? Ik beveel je (…) om niet meer te smachten naar jou? Dan moet het toch zijn: ik beveel me? Ik smoor en bevroor je, tegenwoordige tijd en verleden tijd door elkaar? Ik kom er niet uit…

De huilende man dacht aan zijn vader. De vrouw met het geknakte hoofd breekt, voor ze iets kan uitbrengen, in huilen uit. De man met de glanzende ogen neemt het woord: ‘Je keek me recht in mijn ponem; niet jij huilde, maar het liedje deed huilen. Heel knap…’.

Ing-woorden

Een diepvries is een handig ding. Voor Oud &Nieuw bakte ik voor de tweede keer in 2012 oliebollen. Veel te veel oliebollen. Diepgevroren konden we ze bewaren. Vandaag heb ik het laatste zakje gepakt. En dus dacht ik aan mijn vage belofte in de vorige blog om rondom oliebollentijd iets te schrijven over de volgende vraag: Is mijn schrijven een vorm van zoeken naar bevestiging?

In dezelfde blog schreef ik over verlangen naar erkenning. En daarmee ben ik bij de ing-woorden. Die hebben niets met een bepaalde bank te maken, maar wel alles met investeren. Dat is wat ouders behoren te doen. Dat is wat mijn ouders op hun manier hebben gedaan, dat is wat ik als ouder op mijn wijze deed. En daarin doe je het met wat het leven aanreikt.

Voorop gezet: ik ga in deze blog absoluut niet volledig zijn m.b.t. deze ing-woorden maar ik vind het wel mooi wat gedachten te delen.

Mijn ouders kwamen uit geslachten van schippers en keuters. Prachtige beroepen. Er was altijd voldoende te eten, maar elke cent moest worden omgedraaid. Daar is op zich niks mis mee, maar mijn vader bleek geen boerenbloed te hebben en zijn voorvader-schippers waren allang aan land gegaan, dus schipper worden behoorde ook niet tot de mogelijkheden. In een tijd en omgeving waarin niet iedereen automatisch voortgezet onderwijs volgde betekende het een investering dat mijn grootouders mijn vader naar de ambachtschool lieten gaan.

Dat mijn vader naast zijn werk en gezin verder ging leren en leraar werd had tot gevolg dat hij in de ogen van velen een ‘wiesneuze’ was. Mijn moeder ondersteunde hem waar ze kon en, zelf tot haar verdriet weinig onderwijs genoten, stimuleerde ze ons om door te leren. Beiden wensten ons een welvarend leven en dat is hen gelukt. Daarvoor ondernamen ze grote stappen, zoals een verhuizing van het Drentse platteland naar de grote stad Utrecht. Dat was een emigratie.

-Even tussendoor een kleine anekdote die dat aangeeft: Toen een broer van mij zich op de nieuwe school -wellicht van de spanning- misselijk voelde, zei hij tegen de juf: Ik mut speeën. De juf vroeg: Wat zeg je? Ik mut speeën. Wát moet je? En toen kwam de volle laag al over de tafel en de vloer.-

Mijn ouders reikten zaken aan waar ik mijn voordeel mee kon doen. Zij investeerden in mijn leven dat er voor hen mocht zijn. Daar ben ik hen dankbaar voor. Ook ik reik verder en durf stappen te ondernemen, al verstaat niet iedereen me gelijk;).

Maar is dat het zelfde als erkenning en bevestiging krijgen? En ja, dan ligt daar nog die vraag: zoek ik bevestiging in het schrijven van verhalen, of anders gezegd: in het waardering krijgen voor mijn verhalen. Ik zal je vertellen dat ik daar absoluut gevoelig voor ben. Dat ik na mijn eerste roman van slag kon zijn van een enkele kritische kanttekening. Maar ook mag je weten dat ik groei in het steeds meer ‘zijn’.

Misschien goed om eerst die ing-woorden een beetje helder te hebben.

Erkenning heeft iets te maken met het recht van bestaan, met aanvaarden, accepteren. Dat aan hun kinderen laten weten is de eerste taak die ouders hebben. Daarna (of moet ik zeggen: het tweede, daaraan gelijk) komt de bevestiging; het bekrachtigen, versterken, zegenen van het kind.

Ik ben inmiddels zelf al jaren moeder en ik weet dat ik (meestal ongewild, maar ik ben wel verantwoordelijk) daarin te kort geschoten ben. Vanuit dat perspectief kan ik het te kort van mijn ouders onder ogen zien, móet ik dat zelfs onder ogen zien en verwerken. Want dat helpt me in relatie tot de ander, tot mijn eigen kinderen. Maar ook in mijn werk.

In mijn schrijverschap botste en bots ik op een tekort. Want geregeld hoor ik een innerlijke stem die me bevraagt op mijn zijn en mijn kunnen. Onzekerheid kan leiden tot stagnatie in het, in mijn geval, schrijven. Ik heb inmiddels geleerd niet alleen de symptomen te bestrijden, maar om op zoek te gaan naar de oorzaak. Hoewel soms pijnlijk of verdrietig heeft het me enorm verrijkt. Ik ben daarover in gesprek met mezelf. Ik probeer steeds minder het tekort in m.n. bevestiging te zoeken bij de ander. Hooguit bij de Ander.

Goed, geen oliebollen meer in de diepvries. Maar nog wel een heleboel andere zaken. Niet alles is even lekker. Soms is iets verstopt geraakt onder overige spullen. Als ik de diepvries schoonmaak zal het wel weer tevoorschijn komen. Dat brengt me bij het volgende beeld: Mijn hoofd een bewaarplaats. De ene herinnering smaakt me beter dan de andere. Soms komt er zomaar één te voorschijn, een volgende laat ik nog even diep weggestopt. En af en toe moet ik schoonmaken. Is beter voor wat er nog komt.

Hoe dan ook, ik ben ermee aan de slag. Ik schrijf er over. ‘Stukkies’ noem ik dat wat er vanuit zo’n herinnering ontstaat. Waar mijn herinnering te kort schiet vul ik zelf aan. Ik ben tenslotte schrijver en verbind geregeld historie met fictie. Geen idee of het een boek wordt. Maar ik heb er lol in. Het is goed zo.

Oliebol

 

‘Juffrouw, geef mij zo’n dinkie, één oliebol maar…’ Ik vertel mijn vader, zittend op de leuning van zijn rookstoel, van Ratje. Het is een verhaal dat aan het eind van de schooldag voorgelezen wordt door mijn meester van de vierde klas. Hij kán voorlezen. Met voor elk personage een andere stem. Ik kijk onder het rekenen en de aardrijkskunde uit naar die tien minuten. Alleen onder de geschiedenisles vergeet ik mijn verlangen. Want de verhalen die meester dan vertelt schetsen werelden waarvan ik nog geen weet had en doen me voor even Ratje, het jongetje van de straat, vergeten.

Soms moet ik kiezen welk verhaal ik aan mijn vader vertel, want de tijd die hij voor mij heeft na het eten is maar kort. Hij moet lesgeven op de avondschool, of repetities nakijken. Meestal kies ik voor Ratje. En ik loop voor de tweede keer die dag naast het schoffie en heb honger. Ik bedel samen met hem om een oliebol en lijd omdat de baas van de kraam ons verjaagt.

Ik verwerkte dit gegeven in een scene van een korte voorstelling die ik maakte met Richard Jansen en de band Half a Mile voor PodiumNu, voorjaar 2012. Ik wilde daarin iets laten zien van een oorsprong van mijn schrijverschap. Het delen van liefde voor verhalen met mijn vader. Wij deelden ook de liefde voor zwemmen, stoeien, een bepaalde vorm van humor en af en toe wat stoer doen.

Ik deelde niet zijn liefde voor het vissen. Vissen met een haak lijkt me een kwelling voor de vis. Maar mijn vader at de vangst met andere liefhebbers van vis in ieder geval op. De vissen werden gedood, van ingewanden ontdaan, gekruid en daarna gebakken. Dat lijkt me zinvoller dan na die hakenkwelling teruggegooid te worden met een pijnlijk gat in de bek. Dit alles terzijde; ik dwaal af.
Die keren dat mijn vader in de vakantie tijd nam voor vissen ging ik evenwel, als het mocht, graag met hem mee. Om heel stil naast hem te zitten in de rust van de Drentse natuur, ver weg van het voor hem hectische Utrechtse schoolleven. En af en toe vertelde ik op fluistertoon een verhaal. Of hij vertelde mij een verhaal. Over het allerkleinste visje dat achteraan in de rij zwom en dat ondanks de waarschuwingen van zijn moeder toch naar een bolletje brood begon te happen.

Maar naast verblijdende verbinding met mijn vader was er soms ook verwijderende boosheid. Die kreeg pas duidelijk vorm na mijn vaders dood en had te maken met allerlei andere momenten waarop die verbinding ontbrak. Ook daarvan liet ik iets zien tijdens die korte voorstelling afgelopen voorjaar.

Een tijdje daarna zat ik bij de opnames van een t.v. programma. Niet al het filmmateriaal dat tijdens die opnames werd gemaakt kon worden gebruikt voor een item van een aantal minuten. Ik gaf toestemming om ter aanvulling  beelden uit de korte voorstelling te monteren. Het gegeven van ‘boosheid uiten naar je vader’ was een ‘mooie’ intro. De tekst die eronder werd gezet met de woorden Janne kreeg geen aandacht van haar vader was voor mij tenenkrommend. Ook het item van zoeken naar erkenning kwam niet uit de verf.
Terecht mailde een paar dagen later een broer voorzichtig de opmerking dat als er iemand erkenning kreeg van ons vader ik dat toch was. Natuurlijk mailde ik terug dat ze bij ‘de televisie’ mijn opmerking over de, in bepaalde opzichten, ‘afwezigheid’ van onze vader onterecht vertaald hadden als het ontbreken van aandacht en dat het zoeken naar erkenning meer was dan wat ik ervan kon vertellen tijdens de opnames waarin ook nog eens geknipt werd.
Los daarvan, direct na de opnames zat ik al in een loyaliteitsconflict. Ik zoek voor mijn boeken de publiciteit; ik zeg zelf toe en ben medeverantwoordelijk. Maar tegelijk: hoe kan ik in een zo kort item recht doen aan mijn verlangen te delen van wat het leven mij leerde en hoe ik dat verwerk in mijn boeken? Hoe doe ik recht aan mijn ouders en andere geliefden? Hoe doe ik recht aan mijn boek?
Ik scheld mezelf uit: wat ben je toch een oliebol; waarom ga je zovér in wat je deelt en loop je de kans dat het niet begrepen wordt of niet ten volle belicht of te veel of te eenzijdig?; waarom vestigde je de aandacht niet wat meer op het boek?; waarom laat je toe dat men meer wil weten van de ‘schrijver erachter’?; domkop, je geeft zelf een voorzet door zo’n scene te maken…

Voor mij is schrijven (en vertellen en theater maken) vorm geven aan onder andere de sores van het leven. Ik heb niet de levens geleid van mijn hoofdpersonen Elsjen en haar zoon Roelf, maar ik herken stukjes van hun leven en handelen doordat het raakt aan iets in mij. Ik ken iets van hun verlangen, hun teleurstelling, hun angst, hun woede. Daaraan gaf ik woorden. Dat wilde ik.
Ik ga de innerlijke dialoog aan: het schrijven is voor mij een manier van verbinding zoeken, zoals eens met mijn vader, maar nu met mezelf en met de lezer; en ja, ik moet er rekening mee houden dat er zaken niet begrepen worden, zonder dat ik daarmee een oordeel over mezelf of de ander uitspreek; zo mogelijk ga ik erover in gesprek; en wat is er mis met het me laten kennen; ja, ik mag me kwetsbaar voelen en ook zeker mijn grenzen bewaken; en nee, ik hoef niet alles te verwoorden in tien minuten, dat kan niet eens en bovendien: ik kan niet alles onder controle houden…
En bij het graf van mijn vader verwoord ik al het mooie dat hij me gaf, maar ook aan het minder mooie geef ik uiting. En hij begrijpt dat nu.

Tijdens de opnames voor dat t.v. programma werd me de vraag gesteld of ik bevestiging zoek in het schrijven van boeken. Dat is een mooi gegeven voor een eventueel volgende blog. Tegen de tijd dat ik die schrijf zal het jaar bijna om zijn en worden er oliebollen gebakken. Hmmmm.

‘Juffrouw, geef mij zo’n dinkie, één oliebol maar…’ Ik vertel mijn vader, zittend op de leuning van zijn rookstoel, van Ratje. Het is een verhaal dat aan het eind van de schooldag voorgelezen wordt door mijn meester van de vierde klas. Hij kán voorlezen. Met voor elk personage een andere stem. Ik doe hem na. ‘… die ene, die een beetje swart verbrand is, toe juf-frauw, assieblieft, ik heb zo’n honger…’
Mijn vader glimlacht.

 

Vuilnis-hoop

In mijn vorige blog vertelde ik over het oprapen van vuilnis in het stadje waar ik woon. Ik maakte een vergelijk met het oprapen van vuil in het leven van mijn hoofdpersonen Elsjen uit Achtendertig nachten en Roelf uit Afscheid van een engel.

Ik wilde Elsjens verhaal vertellen omdat ze nooit in staat was dat te doen. Ik wilde met haar de weg opnieuw lopen en het vuil oprapen.
Ik wilde Roelfs verhaal vertellen omdat ik in de naamgeving van zijn kinderen zag dat zijn moeder niet in zijn leven voorkwam, er geen plek in kreeg. Ik wilde met hem de weg opnieuw lopen en het vuil oprapen.
Waar ik blijkbaar naar verlang is een schonere wereld. En daar wil ik vorm aan geven in mijn leefomgeving en in mijn boeken. Ik schoon de straat en het leven van Elsjen en Roelf op. Ik maak er mijn handen en woorden aan vuil. Zonder dat geen schonere, hoopvollere wereld.

Van tijd tot tijd ontmoet ik mensen die met justitie in aanraking zijn geweest. Sommigen vertellen mij hun verhaal. Een aantal heeft een jarenlange gevangenisstraf achter de rug. Hun verhalen hebben schrijnend veel overeenkomst met de verhalen die ik vorm gaf in Afscheid van een engel. Nog steeds, dacht ik. De verhalen van tweehonderd en vijftig jaar geleden zijn niet zo gek veel anders dan die van deze tijd, alleen de straffen zijn milder.
Als deze mensen mij hun verhaal vertellen zeg ik niet: ‘Stop maar, bah wat vuil allemaal. Ik wil jouw verhaal niet horen, want ik wil niet weten dat jij al zo jong in een internaat geplaatst werd en de eerste de beste nacht die jij daar doorbracht werd vastgebonden en verkracht door een groepsleider’. Of: ‘Ik wil niet weten dat jouw vader te veel dronk en jou en je moeder verrot sloeg’. Of: ‘Hou maar op te vertellen over dat jouw stoppen doorsloegen toen je te horen kreeg dat de vrouw die jij voor je moeder hield vertelde dat het waar was wat je ontdekte: jouw moeder was dood’. Of: ‘Ik wil niet voor ogen hebben dat jij door je moeder op straat gezet werd toen ze een andere relatie kreeg waarbij jij een last was waarvan ze verlost wilde worden’. En: ‘Ik wil al helemaal niet weten wat het voor gevolgen heeft gehad voor de rest van jouw leven’.
In mijn onderzoek in de archieven kom ik straffen tegen als brandmerken, onthoofden en hoofd op een pin tentoongesteld, geseling en oor afsnijden. Ik zie welke woordkeus men maakte , bijvoorbeeld:  ‘Ik steek een mestvork in je verdommenis’, ‘Ik sla je poten onder je donder vandaan’. Ik lees hoe de vagina van een vrouw bewerkt wordt met een breekijzer, waarna zij aan haar verwondingen overlijdt. Dan kan ik zeggen: ‘Dit is te erg voor woorden en eigenlijk wil ik van deze rauwe wereld geen weet hebben’.
Maar wat ik waardevol vind is: De gebrokenheid, de werkelijkheid van het leven zo mogelijk onder ogen zien, woorden geven en daarmee op weg gaan. Of het nu gaat om veel of minder sores.  En dan de weg van pijn en moeite nogmaals gaan. Want ik erken (vaak met moeite): ik maak onderdeel uit van die wereld van stukmakende dingen. Ik herken. Als het om mijn leven gaat herbeleef ik die weg het liefst aan de hand van de Heelmeester die wat gebroken is kan helen of kan leren er mee om te gaan. Dat maakt mijn leven rijk, dat maakt mijn leven léven. Dat kan niet anders dan door het vuil op te pakken en daarmee iets te doen.

Makkelijker is het wellicht om , zoals Roelf uit Afscheid van een engel, bijvoorbeeld hard te werken en daarmee te verdringen. Goed, het levert hem in mijn verhaal van tijd tot tijd een driftbui op, maar daar leeft hij lang aan voorbij. Hij laat anderen daaraan lijden, en hoewel het voor hemzelf ook zwaar is weet hij dat weg te werken. Maar dan komt er een moment dat hij zoiets krijgt wat je tegenwoordig misschien een burn-out zou noemen. Het lukt hem niet meer het leven vorm te geven zoals hij altijd heeft gedaan en hij kan de pijn niet meer uit de weg gaan. En dan –eindelijk- gaat hij woorden geven aan die pijn en ziet hij de ontstoken werkelijkheid onder ogen.

Natuurlijk, ík wilde iets met Roelf. Ik pakte zijn vuil op en gaf er in alle eerlijkheid woorden aan. Ik wilde vorm geven aan zijn leven, laten zien hoe hij wérd door het gemis aan ouders, hoe hij leefde in de wetenschap dat zijn moeder zijn vader vermoordde. Ik wilde laten zien hoe het kwaad voortwoekerde door de generaties, zodat o.a. zijn pleegzoon de dupe werd van Róelfs wording en ook die pleegzoon op zíjn beurt zijn gram haalde.
Het is mijn verlangen dat mensen gaan nadenken over hun wording en hun handelen dat daaruit voortkomt. Ook al neemt dat niet voor iedereen zulke heftige vormen aan als in het leven van Roelf en van de delinquenten die ik wel eens ontmoet, we hebben állemaal te maken met een vorm van gebrokenheid en het is best ingewikkeld dat onder ogen te zien en te erkennen dat we die aan een volgende generatie hebben doorgegeven. We kunnen er soms maar moeilijk woorden aan vuil maken en vaak weten we er geen weg mee. We accepteren fatalistisch de sores of we verliezen onszelf in verlangen naar bezit, roem, waardering. Of we zetten het om in agressie, fanatisme, fundamentalisme, een beeld van God. We halen ons (destructieve) recht bij de ander; of we maken ruzie tot we gaan scheiden. Of we verbreken de relatie met onze ouders, kinderen, werkgevers, collega’s, gemeenteleden en proberen het elders opnieuw.
Mijn verlangen om daar over na te denken wordt denk ik geboren uit de hunkering naar heelheid, het verlangen dat naar mijn opinie de Schepper in elk mens heeft gelegd, maar waar ik soms het zicht op ben kwijtgeraakt.
Mijn hoofdpersoon Roelf komt tot inzicht. Hij gaat zien wat er misvormd werd en welk handelen dat daaruit voortkwam schade bracht aan hemzelf en aan zijn geliefden. Daarmee is hij nog niet uit zijn lijden verlost; hij is op weg. De vraag blijft of het hem gaat lukken alles onder woorden te brengen; daarmee zal hij de pijn nogmaals moeten ondergaan. Het blijft de vraag of zijn geliefden open staan voor zijn biecht. Het blijft de vraag of hij hardop kan uitspreken dat het hem spijt. Maar voor hij zover kwam móest hij zijn vuil oppakken. Nou ja, ik liet hem zijn vuil oppakken in de hoop dat wat gebroken is, met hulp van de Eeuwige, zoals Roelf God noemt, opnieuw zal worden.

Ik kan natuurlijk doen alsof vuil er niet is. Dan kan ik optimistisch zeggen dat het allemaal nog wel meevalt met deze wereld. Ik zou mijn handen en woorden schoon houden. Maar dat kan ik niet.
Tot de volgende keer. Ik ga een straatje om, vuil oprapen.

 

 

Vuil maken

Sinds ik in Hasselt woon en door het binnenstadje loop zie ik veel vuil op straat liggen. Ik erger me aan het vuil. Of beter, aan degenen die het er zomaar achterlaten. Maar ook aan degenen, zelfs winkeliers, die niet eens hun eigen stoep schoonhouden. En aan het gemeentebestuur dat zich blijkbaar weinig gelegen laat liggen aan een schoon historisch centrum. Ik erger me, want ik houd van opgeruimd en schoon. En dus ga ik er wat aan doen. Ik raap het vuil op.

Daar ga ik wat aan doen. Dat dacht ik ook toen ik in de archieven het verslag van de Landschrijver las dat hij in 1767 optekende. Zijn handschrift was redelijk goed leesbaar. Ik zag het voor me hoe hij in de plaatselijke herberg de buren van Elsjen Roelofs ondervroeg op hun kennis aangaande de gifmoord die hun buurvrouw pleegde. Hun buurman Jan, echtgenoot van Elsjen, legde daarbij het loodje.
Ineens las ik dat de Landschrijver Elsjen ook had ondervraagd, later in het gevang. Aan de buren vroeg hij nog: ‘Waarom denken jullie dat ze het gedaan heeft?’ Aan Elsjen vroeg hij alleen: ‘Heb je hem vergiftigd? Waar heb je het gif gekocht en later verstopt?’ Haar opmerking over dat ze hem niet had willen doden, maar alleen ziek had willen maken, negeerde hij.
Ik ergerde me aan de Landschrijver. Vraag nou gewoon waaróm ze het gedaan heeft, praatte ik mopperig op hem in terwijl hij in zijn rechtsboek keek welke straf er stond op deze misdaad. Maar dat deed hij niet. En dus ging ik er wat aan doen.
Ik vroeg Elsjen: ‘Wil je mij je verhaal vertellen?’ Ik schreef daarover het boek Achtendertig nachten. Hetzelfde vroeg ik aan Roelf, de zoon van Elsjen en Jan, die drie was toen zijn ouders plotseling uit zijn leven verdwenen. In het boek Afscheid van een engel volgt zijn verhaal.

Behalve het voornemen daar ga ik wat aan doen is er misschien nog een samenhang tussen het oprapen van vuil en het schrijven van deze verhalen. Ik maak er mijn handen en woorden aan vuil. Ik schoon de straat en het leven van Elsjen en Roelf op.
Maar er is ook een verschil. Daar waar ik in het leven van Elsjen en Roelf op zoek ga naar de oorzaak van vervuiling het aanwijs en zeg: daar moet je iets mee, kom ik op straat niet zoveel verder. Een week nadat ik het zwerfvuil heb opgeraapt ligt er al weer van alles.

Ik mailde verschillende instanties over het straatvuil en kwam met diverse voorstellen. Een beleidsmedewerker duurzaamheid, milieu en afval van de gemeente reageerde enthousiast. Ze wil met me nadenken over een geleverd idee. Intussen kreeg ik vast een grijpertje en handschoenen. Terwijl ik op een avond in de schemer;) vuil liep te grijpen dacht ik na over mijn handelen. Toen ik een plastic tas vol afval in een vuilnisbak gooide kwam ik tot de slotsom: Het opruimen van dat letterlijke en figuurlijke vuil heeft te maken met mijn verlangen. Wat ik blijkbaar graag wil is een schonere wereld. En daar wil ik vorm aan geven. Hoe ik dat doe en of dat enigszins lukt komt in een ‘wordt vervolgd’ …

Muizenissen

Mijn tienjarige broer kreeg muizen. Hij liet ze wonen in een oud aquarium. Ze maakten een nestje. Niet lang daarna stonden we met z’n allen om de bak te kijken naar de nietige, kale, blinde borelingen waarvan hij er een paar heel even op zijn hand hield. We waren opgetogen. Mijn broer raakte de muisjes in de loop van een paar weken bijna allemaal moeiteloos kwijt. Op een paar na. Niet lang daarna waren er twee nestjes. En alle vriendjes in de buurt waren voorzien. Mijn conservatief ingestelde ouders eisten een scheiding van tafel en bed. Er kwamen twee aquariums.

Een andere herinnering aan muizen is die van een logeerpartij bij mijn nichtje. Ik weet niet meer van wie de muizen waren, maar er was er één ontsnapt. Blijkbaar vond het diertje een schuilplaats in mijn kledingtas, want toen ik op zondagmorgen mijn ‘zondagse’ rok tevoorschijn haalde waren er allemaal gaatjes in geknaagd. Mijn tante was, in tegenstelling tot mijn nichtje en ikzelf (wij kwamen haar vrolijk vertellen dat de muis terecht was), van streek; zij wist natuurlijk hoeveel uur mijn moeder achter de naaimachine doorbracht.

We associëren blijkbaar al naar gelang we verhalen in ons hoofd hebben. In ‘Afscheid van een engel’ gebruik ik het beeld van een muisje dat zich nestelt als volgt:

Ik overwoog om naar het grote meisje toe te gaan dat me mijn eerste schooldag had aangesproken over vadersgroepje en moedersgroepje en die het versje had opgezegd: De moeder is een moordenaar, de kinderen zijn nu zonder vaar’, de kinderen zijn nu zonder moer’, oh wat is het leven zoer. Ik wilde het versje niet onthouden, maar de zinnen hadden zich als muisjes in mijn gedachten genesteld. Het liedje bracht vragen voort. Ik wilde ze stellen.

Ik gebruik hier muisjes vanwege het vermenigvuldigen, maar ook vanwege de schade die ze aanrichtten. Want het verhaal speelt zich voor een deel af in 1779, het jaar van grote droogte (het regende van februari tot en met september zo goed als niet); het jaar van misoogsten, ziekten zoals de rode loop en van een muizenplaag. Die muizen vermenigvuldigden en vraten alles wat maar enigszins eetbaar was op. Niks lief en aardig; muizen waren verbonden aan ziekte, dood en verderf.

Maar een meelezer maakte me erop attent dat een muisje dat zich nestelt toch iets liefs oproept. Ik dacht aan het aquarium van mijn broer en de lieve spitse snoetjes die zich soms tegen het glas aandrukten. En aan de zachte, snuffellende muis die we terug vonden in mijn kledingtas.

Ondanks mijn goede beweegreden om een muisje als beeld te gebruiken ben ik overstag gegaan. De zin gaat nu als volgt: Ik wilde het versje niet onthouden, maar de zinnen hadden zich als addertjes in mijn gedachten genesteld. Het liedje bracht vragen voort. Ik wilde ze stellen.

Zonder twijfel roept het woord addertjes een naarder beeld op dan muisjes. Nu het boek ter perse is gegaan kan ik ook niet meer terug. Tjonge, wat is dat definitief. Ineens twijfel ik: misschien was muisjes toch beter geweest. Wie weet er nou nog hoe addertjes nestelen? Wie weet er nog van het wegrapen van een stapel hout of stenen en het plotseling geconfronteerd worden met het gekrioel van een nestje adders waar je bijna in greep. Muisjes was misschien toch beter geweest, zeker in de context van die droge zomer. Nee, niet zeuren. Addertjes is evenwel beter. Iedereen associeert een adder met gif, al heb je er nog nooit één in het echt gezien. Gif is trouwens weer te associëren met de dood van de vader van mijn hoofdpersoon. Of had ik nou toch beter…