Muizenissen

Mijn tienjarige broer kreeg muizen. Hij liet ze wonen in een oud aquarium. Ze maakten een nestje. Niet lang daarna stonden we met z’n allen om de bak te kijken naar de nietige, kale, blinde borelingen waarvan hij er een paar heel even op zijn hand hield. We waren opgetogen. Mijn broer raakte de muisjes in de loop van een paar weken bijna allemaal moeiteloos kwijt. Op een paar na. Niet lang daarna waren er twee nestjes. En alle vriendjes in de buurt waren voorzien. Mijn conservatief ingestelde ouders eisten een scheiding van tafel en bed. Er kwamen twee aquariums.

Een andere herinnering aan muizen is die van een logeerpartij bij mijn nichtje. Ik weet niet meer van wie de muizen waren, maar er was er één ontsnapt. Blijkbaar vond het diertje een schuilplaats in mijn kledingtas, want toen ik op zondagmorgen mijn ‘zondagse’ rok tevoorschijn haalde waren er allemaal gaatjes in geknaagd. Mijn tante was, in tegenstelling tot mijn nichtje en ikzelf (wij kwamen haar vrolijk vertellen dat de muis terecht was), van streek; zij wist natuurlijk hoeveel uur mijn moeder achter de naaimachine doorbracht.

We associëren blijkbaar al naar gelang we verhalen in ons hoofd hebben. In ‘Afscheid van een engel’ gebruik ik het beeld van een muisje dat zich nestelt als volgt:

Ik overwoog om naar het grote meisje toe te gaan dat me mijn eerste schooldag had aangesproken over vadersgroepje en moedersgroepje en die het versje had opgezegd: De moeder is een moordenaar, de kinderen zijn nu zonder vaar’, de kinderen zijn nu zonder moer’, oh wat is het leven zoer. Ik wilde het versje niet onthouden, maar de zinnen hadden zich als muisjes in mijn gedachten genesteld. Het liedje bracht vragen voort. Ik wilde ze stellen.

Ik gebruik hier muisjes vanwege het vermenigvuldigen, maar ook vanwege de schade die ze aanrichtten. Want het verhaal speelt zich voor een deel af in 1779, het jaar van grote droogte (het regende van februari tot en met september zo goed als niet); het jaar van misoogsten, ziekten zoals de rode loop en van een muizenplaag. Die muizen vermenigvuldigden en vraten alles wat maar enigszins eetbaar was op. Niks lief en aardig; muizen waren verbonden aan ziekte, dood en verderf.

Maar een meelezer maakte me erop attent dat een muisje dat zich nestelt toch iets liefs oproept. Ik dacht aan het aquarium van mijn broer en de lieve spitse snoetjes die zich soms tegen het glas aandrukten. En aan de zachte, snuffellende muis die we terug vonden in mijn kledingtas.

Ondanks mijn goede beweegreden om een muisje als beeld te gebruiken ben ik overstag gegaan. De zin gaat nu als volgt: Ik wilde het versje niet onthouden, maar de zinnen hadden zich als addertjes in mijn gedachten genesteld. Het liedje bracht vragen voort. Ik wilde ze stellen.

Zonder twijfel roept het woord addertjes een naarder beeld op dan muisjes. Nu het boek ter perse is gegaan kan ik ook niet meer terug. Tjonge, wat is dat definitief. Ineens twijfel ik: misschien was muisjes toch beter geweest. Wie weet er nou nog hoe addertjes nestelen? Wie weet er nog van het wegrapen van een stapel hout of stenen en het plotseling geconfronteerd worden met het gekrioel van een nestje adders waar je bijna in greep. Muisjes was misschien toch beter geweest, zeker in de context van die droge zomer. Nee, niet zeuren. Addertjes is evenwel beter. Iedereen associeert een adder met gif, al heb je er nog nooit één in het echt gezien. Gif is trouwens weer te associëren met de dood van de vader van mijn hoofdpersoon. Of had ik nou toch beter…

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *