Vuilnis-hoop

In mijn vorige blog vertelde ik over het oprapen van vuilnis in het stadje waar ik woon. Ik maakte een vergelijk met het oprapen van vuil in het leven van mijn hoofdpersonen Elsjen uit Achtendertig nachten en Roelf uit Afscheid van een engel.

Ik wilde Elsjens verhaal vertellen omdat ze nooit in staat was dat te doen. Ik wilde met haar de weg opnieuw lopen en het vuil oprapen.
Ik wilde Roelfs verhaal vertellen omdat ik in de naamgeving van zijn kinderen zag dat zijn moeder niet in zijn leven voorkwam, er geen plek in kreeg. Ik wilde met hem de weg opnieuw lopen en het vuil oprapen.
Waar ik blijkbaar naar verlang is een schonere wereld. En daar wil ik vorm aan geven in mijn leefomgeving en in mijn boeken. Ik schoon de straat en het leven van Elsjen en Roelf op. Ik maak er mijn handen en woorden aan vuil. Zonder dat geen schonere, hoopvollere wereld.

Van tijd tot tijd ontmoet ik mensen die met justitie in aanraking zijn geweest. Sommigen vertellen mij hun verhaal. Een aantal heeft een jarenlange gevangenisstraf achter de rug. Hun verhalen hebben schrijnend veel overeenkomst met de verhalen die ik vorm gaf in Afscheid van een engel. Nog steeds, dacht ik. De verhalen van tweehonderd en vijftig jaar geleden zijn niet zo gek veel anders dan die van deze tijd, alleen de straffen zijn milder.
Als deze mensen mij hun verhaal vertellen zeg ik niet: ‘Stop maar, bah wat vuil allemaal. Ik wil jouw verhaal niet horen, want ik wil niet weten dat jij al zo jong in een internaat geplaatst werd en de eerste de beste nacht die jij daar doorbracht werd vastgebonden en verkracht door een groepsleider’. Of: ‘Ik wil niet weten dat jouw vader te veel dronk en jou en je moeder verrot sloeg’. Of: ‘Hou maar op te vertellen over dat jouw stoppen doorsloegen toen je te horen kreeg dat de vrouw die jij voor je moeder hield vertelde dat het waar was wat je ontdekte: jouw moeder was dood’. Of: ‘Ik wil niet voor ogen hebben dat jij door je moeder op straat gezet werd toen ze een andere relatie kreeg waarbij jij een last was waarvan ze verlost wilde worden’. En: ‘Ik wil al helemaal niet weten wat het voor gevolgen heeft gehad voor de rest van jouw leven’.
In mijn onderzoek in de archieven kom ik straffen tegen als brandmerken, onthoofden en hoofd op een pin tentoongesteld, geseling en oor afsnijden. Ik zie welke woordkeus men maakte , bijvoorbeeld:  ‘Ik steek een mestvork in je verdommenis’, ‘Ik sla je poten onder je donder vandaan’. Ik lees hoe de vagina van een vrouw bewerkt wordt met een breekijzer, waarna zij aan haar verwondingen overlijdt. Dan kan ik zeggen: ‘Dit is te erg voor woorden en eigenlijk wil ik van deze rauwe wereld geen weet hebben’.
Maar wat ik waardevol vind is: De gebrokenheid, de werkelijkheid van het leven zo mogelijk onder ogen zien, woorden geven en daarmee op weg gaan. Of het nu gaat om veel of minder sores.  En dan de weg van pijn en moeite nogmaals gaan. Want ik erken (vaak met moeite): ik maak onderdeel uit van die wereld van stukmakende dingen. Ik herken. Als het om mijn leven gaat herbeleef ik die weg het liefst aan de hand van de Heelmeester die wat gebroken is kan helen of kan leren er mee om te gaan. Dat maakt mijn leven rijk, dat maakt mijn leven léven. Dat kan niet anders dan door het vuil op te pakken en daarmee iets te doen.

Makkelijker is het wellicht om , zoals Roelf uit Afscheid van een engel, bijvoorbeeld hard te werken en daarmee te verdringen. Goed, het levert hem in mijn verhaal van tijd tot tijd een driftbui op, maar daar leeft hij lang aan voorbij. Hij laat anderen daaraan lijden, en hoewel het voor hemzelf ook zwaar is weet hij dat weg te werken. Maar dan komt er een moment dat hij zoiets krijgt wat je tegenwoordig misschien een burn-out zou noemen. Het lukt hem niet meer het leven vorm te geven zoals hij altijd heeft gedaan en hij kan de pijn niet meer uit de weg gaan. En dan –eindelijk- gaat hij woorden geven aan die pijn en ziet hij de ontstoken werkelijkheid onder ogen.

Natuurlijk, ík wilde iets met Roelf. Ik pakte zijn vuil op en gaf er in alle eerlijkheid woorden aan. Ik wilde vorm geven aan zijn leven, laten zien hoe hij wérd door het gemis aan ouders, hoe hij leefde in de wetenschap dat zijn moeder zijn vader vermoordde. Ik wilde laten zien hoe het kwaad voortwoekerde door de generaties, zodat o.a. zijn pleegzoon de dupe werd van Róelfs wording en ook die pleegzoon op zíjn beurt zijn gram haalde.
Het is mijn verlangen dat mensen gaan nadenken over hun wording en hun handelen dat daaruit voortkomt. Ook al neemt dat niet voor iedereen zulke heftige vormen aan als in het leven van Roelf en van de delinquenten die ik wel eens ontmoet, we hebben állemaal te maken met een vorm van gebrokenheid en het is best ingewikkeld dat onder ogen te zien en te erkennen dat we die aan een volgende generatie hebben doorgegeven. We kunnen er soms maar moeilijk woorden aan vuil maken en vaak weten we er geen weg mee. We accepteren fatalistisch de sores of we verliezen onszelf in verlangen naar bezit, roem, waardering. Of we zetten het om in agressie, fanatisme, fundamentalisme, een beeld van God. We halen ons (destructieve) recht bij de ander; of we maken ruzie tot we gaan scheiden. Of we verbreken de relatie met onze ouders, kinderen, werkgevers, collega’s, gemeenteleden en proberen het elders opnieuw.
Mijn verlangen om daar over na te denken wordt denk ik geboren uit de hunkering naar heelheid, het verlangen dat naar mijn opinie de Schepper in elk mens heeft gelegd, maar waar ik soms het zicht op ben kwijtgeraakt.
Mijn hoofdpersoon Roelf komt tot inzicht. Hij gaat zien wat er misvormd werd en welk handelen dat daaruit voortkwam schade bracht aan hemzelf en aan zijn geliefden. Daarmee is hij nog niet uit zijn lijden verlost; hij is op weg. De vraag blijft of het hem gaat lukken alles onder woorden te brengen; daarmee zal hij de pijn nogmaals moeten ondergaan. Het blijft de vraag of zijn geliefden open staan voor zijn biecht. Het blijft de vraag of hij hardop kan uitspreken dat het hem spijt. Maar voor hij zover kwam móest hij zijn vuil oppakken. Nou ja, ik liet hem zijn vuil oppakken in de hoop dat wat gebroken is, met hulp van de Eeuwige, zoals Roelf God noemt, opnieuw zal worden.

Ik kan natuurlijk doen alsof vuil er niet is. Dan kan ik optimistisch zeggen dat het allemaal nog wel meevalt met deze wereld. Ik zou mijn handen en woorden schoon houden. Maar dat kan ik niet.
Tot de volgende keer. Ik ga een straatje om, vuil oprapen.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *