Bij de herdenking, 4 mei

  

Een fragment uit het voorwoord van ‘Im Westen nichts neues’, van Erich Maria Remarque: “Dieses Buch soll weder eine Anklage noch ein Bekenntnis sein. Es soll nur den Versuch machen, über eine Generation zu berichten, die vom Krieg zerstört wurde – auch wenn sie seinen Granaten entkam.”

Morgen dodenherdenking. Dit keer ik wil hier ook stil staan bij mannen die niet vielen, maar wel een stukje ‘dood’ gingen. Het gaat om de mannen op de bijgeplaatste foto’s. Ze zij nog jong – de foto werd gemaakt tijdens hun diensttijd in 1928/’29 – en ze hebben er geen idee van dat ze tien jaar later zullen worden opgeroepen voor de mobilisatie en in de meidagen 1940 achter de Grebbeberg zullen meevechten in de verdediging. Ze waren ingedeeld bij de eerste Batterij van de tweede Afdeling van het vierde Regiment Veld-Artillerie.
Van in ieder geval twee van hen weet ik dat ze na de oorlog psychische problemen kregen, psychiatrische behandelingen ondergingen en elektroshocks kregen toegediend. Van een van hen, mijn opa, weet ik door de verhalen van ooms en tantes zeker dat deze problemen kwamen door wat je nu PTSS noemt. Mijn opa herstelde min of meer, de ander herstelde niet. Frappant is dat beiden in 1950, toen er door de Korea Oorlog een eventuele derde wereldoorlog werd aangekondigd door President Truman, hun stoornis niet meer onder controle kregen. Voor mijn opa, die in de oorlog met mijn oma verzetsmensen en wapens verborg, speelde er op dat moment ook een conflict tussen twee dominees waar hij tussenin zat en was mijn oma zwanger en maakte hij zich ongetwijfeld zorgen omdat ze een andere bevalling ternauwernood overleefde. Deze gebeurtenissen waren de  triggers waardoor hij in een psychose terecht kwam.

De man op de eerste foto is mijn opa Hendrik IJmker. Daarna komt Van der Kemp; hij is uit Nijmegen afkomstig en mijn opa bewaarde deze foto van hem. Beiden waren stukrijder, dat is ook te zien aan hun uniform, de sabel en de beenkappen. Ik schrijf daarover in mijn verhaal:

“Machtig werk was het om met die twee keer zes paarden, die van de voorwagen met de 7-veld en daarachter die van het caisson met munitie, in vliegende vaart van punt A naar B te komen. Dat hij met de andere rijders een aantal weken extra dienst moest doen om zijn sporen te verdienen kon hem niet schelen. Het warme lijf van de bles tussen zijn benen, de beide paarden in bedwang houden, op de andere stukrijders afstemmen, de bevelen van de commandant opvolgen, de wind om zijn hoofd, het opstuivende zand, het eerlijke zweet: dat was pas leven!”

 

 

 

 

 

 

 

Bij mijn speurtocht (dat is een verhaal apart) naar kinderen/familie van deze mannen lukte het me nog niet om in contact te komen met eventuele nazaten van Van der Kemp. Dat lukte wel voor de mannen op de volgende foto’s. Dat zijn Willem Jan van Zomeren en Jacob Mussche; omdat zij redelijk in de buurt woonden troffen deze mannen mijn opa geregeld na de oorlog. De foto’s mocht ik van hun zonen fotograferen. Omdat zij geen beenkappen dragen waren zij geen stukrijder, maar bedienden zij de kanonnen. Dat denk ik tenminste, want lijsten met namen van alle mannen lijken onvindbaar. Hoe dan ook, net als mijn opa, spraken zijn kameraden niet over de oorlogsdagen. Het was nieuw voor hun zonen wat ik met hen deelde over mijn onderzoek en het maakte voor hen soms ook zaken duidelijker. Het emotioneerde hen, net als mijn ooms en tantes en al veel eerder mijn vader, om te spreken over hun vaders en hun verleden.

Het verhaal waaraan ik werk (ja, nog steeds;) is voor mezelf een eerbetoon aan mijn opa en alle mannen die ons land verdedigden met als instelling ‘tot de laatste man’. En die daar bij thuiskomst als ‘verliezers’ amper over spraken/konden spreken. En ook als eerbetoon aan hun vrouwen en kinderen/vaders en moeders/broertjes en zusjes, die een klein jaar achterbleven in grote spanning.

In Nederland werden alle mannen van 16 lichtingen (geboren 1904-1920) opgeroepen voor de mobilisatie en daarmee kwam het totaal aantal militairen op 280.000 man. Op een bevolking van 8 834.000 heeft dat een enorme impact gehad. Trouwens ook op de burgerbevolking werd een beroep gedaan; gevorderd werden paarden, auto’s fietsen, scholen, schuren en huizen.

Een onderzoekje naar PTSS bij militairen in missies vanaf 1975 levert op dat gemiddeld ongeveer 5% een stoornis oploopt. Dat zal voor militairen in 1939/’40 misschien (?) wat anders/minder zijn geweest, omdat maar een deel werkelijk heeft deelgenomen aan de gevechten. Maar de spanning vooraf aan en tijdens die meidagen 1940 moet ook groot geweest zijn.

Tot nu toe vind ik geen gegevens over PTSS bij soldaten die deelnamen aan de mobilisatie/strijd ’39/’40. Dat is op zich al veelzeggend. Men kwam diep teleurgesteld over de capitulatie terug als ‘verliezers’, maar daarna vroeg de tijd van bezetting om alle zeilen bij te zetten in overleving. En na de oorlog begon de ‘wederopbouw’.

Toen ik aan het begin van mijn onderzoek over de militaire begraafplaats te Rhenen liep, besefte ik dat mijn opa bij de 800 gesneuvelde militairen had kunnen liggen (in totaal stierven er ongeveer 2300 mannen in die meidagen, waarvan 425 op/rond de Grebbeberg). Ik was diep onder de indruk en ik dacht aan de woorden van mijn oma, die van 12-25 mei 1940 in de veronderstelling leefde dat mijn opa gesneuveld was: ‘Moet ik schrijven aan een dode…?’. In mijn deels fictieve verhaal verwoord ik die zin in een half afgeschreven brief:

“Aan mijn lieve Egbert,
Ik heb al een tijd niets van je vernomen. Mijn hart slaat honderd als ik eraan denk wat je is overkomen. De berichtgeving is slecht, maar iedereen spreekt over de verschrikkingen bij de Greb. Ik droom elke nacht over jouw kapotgeschoten lijf. Het lijf van de man van wie ik zielsveel houd bloedt. Het bloed vloeit tot aan ons huis achter de bos. De wieke stroomt vol. Ik schrik wakker en slaap daarna niet meer, want het bloed blijft.
Er komt al tien dagen geen werk meer uit mijn handen. Geen zorgen, je broer Albert of een van zijn vele zonen helpen je vader de beesten te melken. Af en toe word ik onze schoonzus gewaar en zie ik dat de kinderen eten. De dokter is gekomen, al besefte ik amper wie hij was. Ik telde, terwijl hij me onderzocht, steeds de knopen van zijn colbert. Het zijn er zes, drie keer twee. Twee aan twee, als stukspaarden. Zes, drie keer twee. Zoals het span dat jij aanvoerde. Achter mij stond onze Geertje; ik voelde de hitte van haar lijf afstralen op mijn rug. Alsof er een 7-veld was afgevuurd, zou jij zeggen. Naast me stond ons Welmertje. Je zou denken dat hij met zijn zes jaren te klein is om alles mee te krijgen, maar hij legde zijn handje op mijn knie. De klamme warmte ervan troostte me. Gek dat ik de aanwezigheid van onze kinderen zo helder ervoer, want verder ging alles aan me voorbij. Ik weet niet eens wie de dokter geroepen had. Hij praatte, maar ik hoorde alleen het stromen van bloed in mijn oren. Hij pakte me bij mijn armen en schudde me heen en weer. Bloed, klotsend bloed achter mijn ogen. Mijn hoofd was volgestroomd en leek op een weckpot vol bessensap die ik wel eens van de kelderplank greep. Toen voelde ik een klap in mijn gezicht. Welmer begon te huilen en kroop in een hoekje van de keuken. Iets in mij ontwaakte. De drang om mijn kinderen te beschermen. Ik stond op, pakte Welmertje en zakte met hem op schoot op de grond. Ik wiegde hem. Geertje kwam erbij. Haar ogen als stuiters zo groot. Ik sloeg een arm om haar heen. Welmer kalmeerde. Ik hoorde woorden en keek waar ze vandaan kwamen. Ik zag de mond van de dokter bewegen.
‘Je moet hem schrijven,’ zei hij, ‘je moet hem schrijven, Annechien. Hoor je mij?’
Ja, ik hoorde hem.
‘Moet ik schrijven aan een dode?’ vroeg ik.”